09/3562 ZW en 09/3563 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om herziening van: [verzoekster], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoekster), van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 juni 2009, 08/5928 en 08/5930, in het geding in hoger beroep tussen: verzoekster en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 24 februari 2010 I. PROCESVERLOOP Namens verzoekster heeft mr. K. Ramdhan, advocaat te Amsterdam, bij schrijven van 30 juni 2009 verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 10 juni
- Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari
- Namens verzoekster is verschenen mr. R.T. Laigsingh, kantoorgenoot van mr. Ramdhan. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.W.G. Determan. II. OVERWEGINGEN
- Bij de uitspraak van 10 juni 2009 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 19 september 2008 (06/1382 en 06/2265), voor zover aangevochten, bevestigd.
- Het verzoekschrift is gericht tegen de overweging van de Raad dat het hoger beroep van verzoekster, met betrekking tot de WAO-zaak, alleen is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit 1 geheel in stand blijven. Verzoekster acht deze vaststelling van de Raad niet juist en is van mening dat er sprake is van een beperkte beoordeling in hoger beroep. Ter onderbouwing van het verzoek heeft verzoekster een brief van de neuroloog J.D.M. van der Meulen van 12 maart 2009 ingebracht. Uit de uitspraak van de Raad van 10 juni 2009 blijkt in haar ogen dat de Raad voornoemde informatie niet heeft betrokken bij het onderzoek. Indien de Raad de informatie van de neuroloog had betrokken bij het onderzoek, dan zou de Raad tot een ander oordeel zijn gekomen, dan wel zich daarover hebben uitgelaten. Verzoekster is dan ook van mening dat de Raad geen uitspraak heeft gedaan conform artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
- Op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb, in verbinding met artikel 21 van de Beroepswet, kan een onherroepelijk geworden uitspraak van de Raad, op verzoek van een partij, worden herzien op grond van feiten of omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
- Naar vaste jurisprudentie van de Raad, zoals deze blijkt uit onder andere zijn uitspraak van 3 oktober 2003 (LJN AN7982), kan in het kader van het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening slechts worden beoordeeld of op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb juncto artikel 21 van de Beroepswet herziening aangewezen is. Een hernieuwde discussie over de betrokken zaak en de juistheid van de betrokken uitspraak kan in dit kader niet worden gevoerd.
- Nu de door verzoekster aangevoerde gronden zien op aspecten van procedurele aard en niet op nieuwe feiten of omstandigheden in de zin van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb, dient het verzoek om herziening te worden afgewezen. Voor zover verzoekster daarmee heeft beoogd de inhoud van de uitspraak van 10 juni 2009 aan de orde te stellen, moet zulks gelet op hetgeen onder 4 is overwogen, worden afgewezen. De brief van de neuroloog Van der Meulen van 12 maart 2009 is al in de eerdere procedure ontvangen door de Raad op 24 maart 2009 en kan reeds daarom geen nieuw feit zijn als bedoeld in voormeld artikel van de Awb. De omstandigheid dat de informatie van de neuroloog niet in de aangevallen uitspraak is genoemd, kan evenmin een grond voor herziening opleveren.
- Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Wijst het verzoek om herziening af. Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en H. Bolt en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 februari
- (get.) C.P.J. Goorden. (get.) M.A. van Amerongen. TM