08/5772 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 12 augustus 2008, 08/395 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: [Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene) en appellant. Datum uitspraak: 5 maart 2010 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari
- Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.H.C. de Bruijn. Betrokkene is niet verschenen. II. OVERWEGINGEN
- Bij besluit van 16 april 2007 heeft appellant de over de periode van 6 maart 2006 tot en met 26 november 2006 onverschuldigd betaalde Ziektewetuitkering tot een bedrag van € 18.871,55 bruto van betrokkene teruggevorderd. 1.
- Bij brief van 4 juli 2007 heeft appellant aan betrokkene medegedeeld dat hij niet akkoord gaat met het door haar gedane betalingsvoorstel tot terugbetaling van de vordering uit hoofde van het terugvorderingsbesluit van 16 april
- Voorts is op basis van de door betrokkene verstrekte gegevens vastgesteld dat haar aflossingscapaciteit nihil is, dat zij door middel van maandelijkse terugbetaling 36 x € 50,00 dient af te lossen en dat zij voor de restantvordering van € 16.663,33 haar vermogen dient aan te wenden. De betalingstermijn daarvan is bepaald op zes weken na 4 juli
- 1.
- Nadat de betalingsverplichting tijdelijk was opgeschort heeft appellant bij brief van 17 augustus 2007 - in gelijke bewoordingen als die in de brief van 4 juli 2007 - betrokkene gemaand de restantvordering van € 16.663,33 uit haar vermogen te voldoen. De betalingstermijn is daarbij bepaald op zes weken na 17 augustus
- 1.
- Bij brief van 12 september 2007 deed betrokkene een verzoek om kwijtschelding. Bij besluit van 7 november 2007 heeft appellant dit verzoek afgewezen omdat betrokkene eigen vermogen heeft. Appellant heeft betrokkene verzocht binnen 5 werkdagen na 7 november 2007 een betalingsvoorstel te doen of het bedrag van € 16.663,33 te voldoen. Daarbij is betrokkene er op gewezen dat na het verstrijken van de termijn de vordering geheel opeisbaar is, dat tot incasso zal worden overgegaan en dat de daarmee gepaard gaande kosten en de wettelijke rente bij haar in rekening worden gebracht. 1.
- Bij brief van 22 november 2007 heeft appellant aan betrokkene medegedeeld dat hij niet akkoord gaat met het afwijkende betalingsvoorstel van € 100,00 per maand om de restantvordering van € 16.633,33 te voldoen. Betrokkene is daarbij nog eenmaal in de gelegenheid gesteld om het bedrag van de vordering uiterlijk 28 november 2007 aan appellant te voldoen. 1.
- Omdat betrokkene de verplichting tot terugbetaling uit hoofde van het terugvorderingsbesluit van 16 april 2007 niet of niet tijdig is nagekomen, heeft appellant bij besluit van 27 november 2007 de vordering verhoogd met een nog nader te bepalen bedrag aan wettelijke rente, en invorderingskosten ad € 681,
- 1.
- Op 3 december 2007 heeft betrokkene aan appellant een brief gezonden, waarin zij als onderwerp vermeldt “bezwaarschrift tegen uw brief van 27 november 2007” en waarin zij - onder meer - heeft gesteld “Zoals ik ook op 12-09-2007 en 16-11-2007 heb aan u geschreven heb, is onze situatie schrijnend te noemen, namelijk op het ogenblik kunnen we niets betalen.” “Ik kan het niet betalen onder dit omstandigheden en vraag een kwijtschelding of uitstel van betaling aan.” 1.
- Appellant heeft bij besluit van 13 februari 2008 de brief van betrokkene van 3 december 2007 als bezwaarschrift tegen het besluit van 27 november 2007 aangemerkt en dit bezwaar ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met een bepaling omtrent het griffierecht - het beroep gegrond verklaard, het besluit van 13 februari 2008 vernietigd, het bezwaar van betrokkene niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het primaire besluit van 27 november 2007 van appellant niet is op te vatten als een op publiekrechtelijk rechtsgevolg gericht besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
- Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij stelt zich op het standpunt dat het besluit van 27 november 2007 is aan te merken als een op publiekrechtelijk rechtsgevolg gericht besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Appellant heeft daarbij gewezen op de uitspraken van de Raad van 21 maart 2007, LJN BA1480 en van 20 juni 2007, LJN BA
- 4.
- Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het besluit van 27 november 2007 een publiekrechtelijke rechtshandeling inhoudt als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb voor zover appellant aan betrokkene heeft medegedeeld dat genoemde vordering met invorderingskosten en wettelijke rente wordt verhoogd wegens het niet of niet tijdig nakomen van de verplichting tot terugbetaling van de vordering uit hoofde van het terugvorderingsbesluit van 16 april
- Immers in het besluit van 27 november 2007 wordt zonder voorbehoud vastgesteld dat appellant de vordering verhoogt met de invorderingskosten ad € 681,00 en, met ingang van 1 december 2007, met de wettelijke rente. Daarmee is de bestaande rechtsverhouding tussen appellant en betrokkene gewijzigd. 4.
- Vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. De zaak is ter zitting van de Raad inhoudelijk aan de orde gesteld en behoeft naar het oordeel van de Raad geen nadere behandeling meer door de rechtbank. De Raad zal de zaak daarom zonder terugwijzing naar de rechtbank zelf afdoen. 4.
- De Raad stelt wat betreft de aan betrokkene in rekening gebrachte invorderingskosten vast dat niet tussen partijen in geschil is, en ook voor de Raad vaststaat, dat betrokkene niet (tijdig) aan haar verplichtingen tot terugbetaling heeft voldaan. Gezien het bepaalde in artikel 9 en artikel 12 van de Regeling betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde betalingen, is de Raad van oordeel dat het bij besluit van 16 april 2007 teruggevorderde bedrag van € 18.871,55, geheel opeisbaar is en dat dit bedrag terecht is verhoogd met de wettelijke rente en de invorderingskosten. Niet is gesteld of gebleken dat de invorderingskosten niet juist zijn vastgesteld. 4.
- Uit hetgeen de Raad hiervoor heeft overwogen vloeit voort dat de conclusie moet zijn dat het besluit van 13 februari 2008 in zoverre de rechterlijke toetsing kan doorstaan. 4.
- De Raad stelt voorts ambtshalve vast dat, gelet op de aard en inhoud van het bezwaarschrift van 3 december 2007, duidelijk blijkt dat betrokkene (tevens) bezwaar maakt tegen het besluit van 7 november 2007, waarbij appellant het verzoek van betrokkene om kwijtschelding heeft afgewezen. Appellant heeft derhalve ten onrechte nagelaten om bij besluit van 13 februari 2008 tevens inhoudelijk op dat bezwaar te beslissen. De rechtbank heeft zulks niet onderkend. 4.
- Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep van betrokkene tegen het besluit van 13 februari 2008, gegrond verklaren, dat besluit in zoverre vernietigen en appellant opdragen om op het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 7 november 2007 alsnog inhoudelijk te beslissen.
- De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak met uitzondering van de bepaling omtrent het griffierecht; Verklaart het beroep gegrond; Vernietigt het besluit van 13 februari 2008 voor zover verzuimd is te beslissen op het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 7 november 2007; Draagt het Uwv op een besluit op het bezwaar van betrokkene te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 maart
- (get.) A.E. van Rooij. (get.) J.W. Schuttel. JL