08/3992 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 2 juni 2008, 07/982 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 17 maart 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. C.C.W.G.M. Janssens, advocaat te Bergen op Zoom, hoger beroep ingesteld. Bij brieven van 22 juli 2008 en 17 september 2008 zijn de hoger beroepsgronden aangevuld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, desgevraagd een rapport van een bezwaarverzekeringsarts overgelegd en een nader stuk in het geding gebracht. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari
- Appellant is -met bericht- niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.J. van Loon. II. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant is op 31 augustus 2000 wegens psychische klachten uitgevallen voor zijn werk als medewerker glasfabricage. Na afloop van de wachttijd is hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 1.
- Bij een herbeoordeling in het kader van het per 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten is appellant op 1 maart 2007 onderzocht door verzekeringsarts R.P.C. Melker, die in zijn rapporten van 2 maart 2007 en 8 maart 2007, mede op basis van verkregen informatie van appellants huisarts, tot de conclusie komt dat appellant benutbare mogelijkheden voor arbeid heeft indien het werk goed gestructureerd is en geen deadlines of productie-pieken bevat. Met inachtneming hiervan is een zogeheten Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Vervolgens is arbeidsdeskundige C.J.A. Moison tot de conclusie gekomen dat appellant geschikt is voor het verrichten van passende functies waarbij geen verlies van verdiencapaciteit optreedt. Bij besluit van 14 mei 2007 is de WAO- uitkering per 15 juli 2007 ingetrokken omdat de arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 15%. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. 1.
- De bezwaarverzekeringsarts mr. J.T.J.A. Klijn heeft in zijn rapport van 22 augustus 2007, op basis van zijn bevindingen uit dossierstudie en aanwezigheid bij de hoorzitting, aangegeven dat hij zich kan verenigen met de FML. bezwaararbeidsdeskundige W.L. Wijngaards heeft zich vervolgens in zijn rapport van 13 september 2007 gemotiveerd achter de conclusie van arbeidsdeskundige Moison gesteld. Bij besluit van 19 september 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 14 mei 2007 ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft overwogen geen aanleiding te zien het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten. De rechtbank heeft evenmin aanknopingspunten gezien voor de conclusie dat de medische beperkingen onjuist zijn vastgesteld. Voor het overige heeft de rechtbank de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven. 3.
- In hoger beroep heeft appellant herhaald hetgeen hij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. Daarnaast heeft hij gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en ten onrechte heeft besloten een deskundigen-onderzoek achterwege te laten. Voorts heeft appellant aangevoerd dat aan zijn medicijngebruik zowel in bezwaar als in beroep onvoldoende aandacht is besteed en dat hij niet in staat is de door het Uwv geduide functies uit te oefenen. 3.
- Het Uwv heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
- De Raad overweegt het volgende. 4.
- Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de Raad, evenmin als de rechtbank, redenen te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies ervan. De Raad kan zich vinden in de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de vaststelling van de bij appellant bestaande medische beperkingen en zijn functionele mogelijkheden ten tijde hier in geding en maakt deze tot de zijne. Daaraan voegt hij nog het volgende toe. 4.
- In beroep en hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat hij ten gevolge van zijn medicijngebruik beperkingen ondervindt die ten onrechte door het Uwv niet worden erkend. Op verzoek van de Raad heeft bezwaarverzekeringsarts Klijn in zijn rapport van 14 september 2009 nader gemotiveerd waarom niet meer beperkingen, op basis van het medicijngebruik van appellant, in de FML zijn opgenomen. Nu namens appellant dit rapport niet is weersproken, ziet de Raad geen aanleiding het rapport van bezwaarverzekeringsarts Klijn voor onjuist te houden. 4.
- Gelet op het vorenstaande ziet de Raad evenmin aanleiding voor het benoemen van een deskundige. 4.
- Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen is de Raad voorts met de rechtbank van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. 4.
- Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. Smit-de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 maart
- (get.) T. Hoogenboom. (get.) M.D.F. Smit-de Moor. EF