09/3227 BESLU 09/3228 BESLU Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het verzoek om schadevergoeding van: [Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene), met als partijen: betrokkene en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie/ Raad voor de rechtspraak) (hierna: Staat) en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) Datum uitspraak: 17 maart 2010 I. PROCESVERLOOP Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 januari 2008, 07/1019, in het geding tussen betrokkene en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Bij uitspraak van 24 juni 2009 (08/1824) heeft de Raad uitspraak gedaan op dit hoger beroep. Daarbij heeft de Raad bepaald dat het onderzoek onder het in de aanhef van deze uitspraak genoemde nummers wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en heeft de Raad naast het Uwv de Staat aangemerkt als partij in die procedure. Namens de Staat heeft mr. E.J. Daalder, advocaat te ’s-Gravenhage, in deze procedure een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Het Uwv heeft eveneens een reactie ingezonden. Namens betrokkene heeft mr. K. de Bie, advocaat te Amsterdam, daarop schriftelijk gereageerd. Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten. II. OVERWEGINGEN
- Namens de Staat is - kort weergegeven - erkend dat de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, in de rechterlijke fase is overschreden en dat betrokkene in aanmerking komt voor een vergoeding van immateriële schade. Daarbij is aangegeven dat een vergoeding van € 500,- redelijk kan worden geacht, welke vergoeding aan betrokkene zal worden betaald.
- Namens het Uwv is erkend dat het Uwv verantwoordelijk is voor een overschrijding van de termijn van drie jaren en vier maanden. Het Uwv heeft zich bereid verklaard het daarmee samenhangende bedrag van € 3500,- te betalen.
- Betrokkene heeft hierop aangegeven zich met de door de Staat en het Uwv ingenomen standpunten te kunnen verenigen.
- Gelet op het voorgaande ziet de Raad aanleiding het Uwv te veroordelen tot vergoeding van immateriële schadevergoeding aan betrokkene ten bedrage van € 3500,- en de Staat ten bedrage van € 500,-.
- De Raad ziet ten slotte aanleiding om het Uwv en de Staat te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in deze schadeprocedure. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand, door het Uwv en de Staat elk voor de helft te betalen. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Veroordeelt de Staat der Nederlanden (het ministerie van Justitie) tot betaling aan betrokkene van een schadevergoeding ten bedrage van € 500,-; Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot betaling aan betrokkene van een schadevergoeding ten bedrage van € 3500,-; Veroordeelt de Staat der Nederlanden (het ministerie van Justitie) in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 161,-; Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 161,-. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 maart
- (get.) Ch. van Voorst. (get.) D.W.M. Kaldenhoven. CVG