09/4764 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 17 augustus 2009, 08/1797 (hierna: aangevallen uitspraak) in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 17 maart 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, met daarbij gevoegd het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige mr. J.J. van der Naald van 16 oktober
- Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2010 waar appellant en zijn gemachtigde niet zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.W. Huiskamp. II. OVERWEGINGEN 1.
- De Raad neemt als vaststaande aan de feiten die de rechtbank in de aangevallen uitspraak voor de beoordeling van het besluit van 17 oktober 2008 (hierna: bestreden besluit) als vaststaande heeft aangenomen en voegt daar nog het volgende aan toe. 1.
- Appellant, geboren [geboortedatum], heeft zich op 28 augustus 1999 -aansluitend op een periode waarin hij uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving - ziek gemeld met zowel lichamelijke als psychische klachten. Na het einde van de wachttijd heeft het Uwv bij besluit van 26 juli 2004 geweigerd aan appellant per 27 augustus 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt. 1.
- Appellant is in het kader van zijn tegen het besluit van 26 juli 2004 ingediende bezwaar op 26 augustus 2008 onderzocht door de bezwaarverzekeringsarts J. Jonker. Deze arts heeft geconcludeerd dat appellant in staat is arbeid te verrichten die in overeenstemming is met zijn beperkingen zoals die zijn weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 26 september
- De bezwaararbeidsdeskundige Van der Naald heeft na raadpleging van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) een aantal functies geselecteerd, die in overeenstemming worden geacht met de beperkingen van appellant en het standpunt ingenomen dat appellant in die functies een zodanig inkomen kan verdienen dat aan het einde van de wachttijd sprake is van een verlies aan verdiencapaciteit van 67,10%. 1.
- Bij het bestreden besluit heeft het Uwv het bezwaar van appellant gegrond verklaard en is aan appellant alsnog met ingang van 27 augustus 2000 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. 1.
- In de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant, voor zover dat was gericht tegen het bestreden besluit, ongegrond verklaard. Ten aanzien van de medische grondslag heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanleiding bestaat het Uwv niet te volgen in het standpunt dat bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 27 augustus 2000 voldoende rekening is gehouden met zijn beperkingen. De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv op goede gronden heeft geconcludeerd dat appellant per laatstgenoemde datum geschikt was de hem voorgehouden functies per einde wachttijd te verrichten en dat derhalve de mate van arbeidsongeschiktheid 65 tot 80% bedraagt per 27 augustus
- De rechtbank is tevens tot het oordeel gekomen dat de overige stellingen van appellant tegen het bestreden besluit geen doel treffen.
- In hoger beroep heeft appellant, onder verwijzing naar hetgeen hij in beroep had aangevoerd, gesteld dat het Uwv bij het bestreden besluit onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn klachten en dat de beperkingen onjuist zijn vastgesteld. Naar de mening van appellant is hij gezien zijn beperkingen niet in staat arbeid te verrichten. Er is volgens appellant sprake van overschrijding van zijn belastbaarheid in de voor hem geschikt geachte functies. Ook voor het overige heeft appellant herhaald hetgeen hij reeds in beroep naar voren had gebracht, met name dat het maatmaninkomen te laag is vastgesteld, dat ten onrechte gegevens uit het CBBS zijn gehanteerd, dat er onvoldoende functies zijn geduid, dat de toepassing van de reductiefactor onvoldoende is toegelicht en dat geen enkele werkgever hem zal aannemen. 3.
- Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, geeft de Raad geen aanleiding de aangevallen uitspraak, voor zover die betrekking heeft op het bestreden besluit, rechtens voor onjuist te houden. Wat betreft de verwijzing naar de gronden die appellant reeds in beroep heeft aangevoerd, onderschrijft de Raad het oordeel en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen van de rechtbank. Appellant heeft geen medische gegevens verstrekt die tot de conclusie moeten leiden dat twijfel gerechtvaardigd is aan de juistheid van de FML van 26 september 2008, in relatie bezien tot de datum in geding. Hetgeen van de zijde van appellant in hoger beroep is gesteld, geeft de Raad evenmin een aanknopingspunt voor twijfel aan het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts op dit punt. Het Uwv is op basis van het geheel aan beschikbare informatie tot een afgewogen oordeel over de bij appellant bestaande beperkingen op de datum in geding kunnen komen. Alle relevante medische informatie is in ogenschouw genomen en daarop is adequaat, gemotiveerd gereageerd door de bezwaarverzekeringsarts. De Raad is van oordeel dat de desbetreffende uiteenzettingen van de zijde van het Uwv thans deugdelijk zijn gemotiveerd. Voor het aannemen van meer of verdergaande beperkingen voor appellant ziet de Raad op grond van de beschikbare informatie geen aanleiding. In haar rapportage van 26 september 2008 heeft de bezwaarverzekeringsarts J. Jonker afdoende op dit punt gereageerd. 3.
- De Raad is uitgaande van de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen tot het oordeel gekomen dat appellant geschikt is te achten voor de hem voorgehouden functies. Het bestreden besluit wordt ook in dit opzicht gedragen door een adequate en toereikende grondslag en is tevens totstandgekomen op een wijze die de toetsing aan de daaraan te stellen zorgvuldigheidseisen kan doorstaan. De leeftijd van appellant en de situatie op de arbeidsmarkt zijn bij een beoordeling als hier aan de orde niet van belang. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaararbeidsdeskundige Van der Naald in zijn rapport van 16 oktober 2009 afdoende op alle door appellant in hoger beroep opgeworpen punten gereageerd. De Raad stelt hierbij vast dat appellant geen aanleiding heeft gezien een reactie op dat rapport te geven. 3.
- Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv dan ook terecht de mate van arbeidsongeschiktheid per 27 augustus 2000 bepaald op 65 tot 80%. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt om die reden voor bevestiging in aanmerking.
- De Raad acht geen termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de proceskosten van appellant. Aangezien er geen sprake is van het gegrond verklaren van het beroep van appellant bestaat er voorts niet de mogelijkheid om met toepassing van artikel 8:73 van de Awb het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 maart
- (get.) T. Hoogenboom. (get.) M.D.F. de Moor. EF