09/1557 WIA Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 februari 2009, 07/1716 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: [betrokkene] (hierna: betrokkene), en appellant Datum uitspraak: 17 maart 2010 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld, met daarbij gevoegd het rapport van de bezwaarverzekeringsarts R.M. de Vink van 11 maart
- Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend. Op verzoek van de Raad heeft de neuroloog G.J. Lambrechts als deskundige een aanvullend rapport ingestuurd. Het Uwv heeft bij brief van 30 oktober 2009 de reactie van de bezwaarverzekeringsarts R.M. de Vink aan de Raad doen toekomen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari
- Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Sowka. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door haar partner. II. OVERWEGINGEN
- De Raad neemt als vaststaande aan de feiten die de rechtbank in de aangevallen uitspraak als vaststaande heeft aangenomen en voegt daar nog het volgende aan toe. Betrokkene was werkzaam via een uitzendbureau als medewerkster klantenservice in de avond gedurende 20 uur per week. Per 10 februari 2004 heeft betrokkene met rugklachten die verband hielden met haar zwangerschap deze werkzaamheden (weer) moeten staken. 2.
- Bij besluit van 21 november 2006 heeft appellant vastgesteld dat voor betrokkene per 9 juni 2006 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt. Betrokkene wordt namelijk in staat geacht haar eigen werk weer te kunnen doen, bij haar eigen of een andere werkgever. 2.
- Het door betrokkene hiertegen gemaakte bezwaar heeft appellant bij besluit van 30 mei 2007 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard. Na een aanvulling van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) op 9 februari 2007 is geconcludeerd door de bezwaararbeidsdeskundige dat betrokkene geschikt is voor haar maatgevende arbeid en tevens voor de haar voorgehouden functies.
- De rechtbank heeft, nadat beroep was ingesteld, aanleiding gezien betrokkene te laten onderzoeken door een onafhankelijke medisch deskundige. Betrokkene is in dat verband op 8 april 2008 door de neuroloog G.J. Lambrechts onderzocht. Daarnaast heeft Lambrechts informatie opgevraagd bij de behandelend huisarts. Lambrechts komt in zijn rapporten van 9 juni 2008 en 26 juni 2008 tot de conclusie dat hij zich niet kan verenigen met de belastbaarheid van betrokkene zoals die is weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 9 februari
- De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het oordeel van de deskundige niet te volgen. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op het bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak. Tevens is bepaald dat aan betrokkene het door haar betaalde griffierecht wordt vergoed.
- Appellant kan zich niet met de aangevallen uitspraak verenigen en stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat de in beroep door de bezwaarverzekeringsarts uitgebrachte reactie op de rapporten van Lambrechts door de rechtbank hadden moeten worden voorgelegd aan deze deskundige. Naar de mening van appellant heeft de deskundige niet op een inzichtelijke wijze gerapporteerd waarom betrokkene meer beperkt zou zijn dan is aangenomen in de FML. Appellant heeft de Raad ten slotte in overweging gegeven om een andere neuroloog dan Lambrechts als deskundige te benoemen.
- De Raad overweegt als volgt. 5.
- In vaste jurisprudentie van de Raad ligt besloten dat het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel is geïndiceerd. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor het aannemen van bijzondere omstandigheden. De vraag of appellant in hoger beroep zodanige omstandigheden naar voren heeft gebracht waardoor het oordeel van de rechtbank onjuist moet worden geacht, beantwoordt de Raad ontkennend en hij onderschrijft de overwegingen van de rechtbank. De Raad ziet evenals de rechtbank geen aanleiding om het oordeel van de deskundige Lambrechts niet te volgen. Op verzoek van de Raad heeft Lambrechts bij rapport van 23 oktober 2009 alsnog zijn standpunt weergegeven naar aanleiding van de eerdere reacties van de bezwaarverzekeringsarts De Vink. Uit zijn nadere rapport blijkt dat de deskundige kennis heeft genomen van de hier van belang zijnde stukken uit het dossier, dus ook van de rapporten van de (bezwaar)verzekeringsartsen en de informatie van de behandelend artsen. De rapporten van Lambrechts zijn inzichtelijk gemotiveerd en de conclusies zijn voldoende onderbouwd. Hetgeen van de zijde van appellant in hoger beroep aan informatie is ingebracht, geeft de Raad geen aanknopingspunt voor twijfel aan het oordeel van de deskundige Lambrechts. Niet valt in te zien dat de deskundige op basis van het geheel aan beschikbare informatie niet tot een afgewogen oordeel over de datum in geding heeft kunnen komen. De Raad acht zich voorts wat de medische grondslag van het bestreden besluit betreft voldoende voorgelicht en ziet dan ook geen aanleiding om een (andere) deskundige te benoemen. 5.
- De Raad is gelet op het overwogene bij 5.1 tot het oordeel gekomen dat betrokkene per 9 juni 2006 niet geschikt is te achten voor haar maatgevende arbeid en evenmin voor de haar voorgehouden functies. Het bestreden besluit wordt in dit opzicht niet gedragen door een deugdelijke motivering. Hetgeen appellant naar voren heeft gebracht brengt de Raad niet tot een ander oordeel en leidt de Raad tot de conclusie dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene terecht gegrond heeft verklaard zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- De Raad acht voorts termen aanwezig om van appellant op grond van artikel 22, derde lid, van de Beroepswet griffierecht te heffen. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak; Bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 447,- wordt geheven. Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. Smit-de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 maart
- (get.) T. Hoogenboom. (get.) M.D.F. Smit-de Moor. JL