09/4664 WAJONG-V Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van: [appellant], (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 1 juli 2009, 08/1496, (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen Datum uitspraak: 15 maart 2010 I. PROCESVERLOOP Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 van de Beroepswet van 2 december 2009 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard. Tegen de uitspraak van de Raad van 2 december 2009 heeft appellant verzet gedaan. Appellant heeft bij brief van 26 januari 2010 een door de Raad gestelde vraag beantwoord. Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 8 maart 2010, waar partijen met voorafgaand bericht niet zijn verschenen. II. OVERWEGINGEN De uitspraak van de Raad van 2 december 2009 berust op de overwegingen dat het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Een afschrift van de aangevallen uitspraak is bij aangetekende brief van 1 juli 2009 gezonden aan het bij de rechtbank bekende adres van appellant. Op 3 juli 2009 is deze brief bij de rechtbank terug ontvangen met de mededeling van TNT Post “vertrokken”. Vervolgens is het afschrift bij brief van 13 juli 2009 opnieuw aan appellant verzonden, ditmaal aan het adres waarop hij op dat moment blijkens de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens stond ingeschreven. Bij brief gedateerd 18 augustus 2009, bij de Raad ontvangen op 20 augustus 2009, heeft appellant hoger beroep ingesteld. In de brief van 26 januari 2010 heeft appellant verklaard dat voorafgaand aan de verzending van het afschrift van de aangevallen uitspraak geen adreswijziging aan de rechtbank is doorgegeven. Daarmee staat vast dat het afschrift op juiste wijze is verzonden. Dit betekent dat de termijn voor het indienen van een hogerberoepschrift aanving op 2 juli 2009 en dat 12 augustus 2009 de laatste dag was waarop tijdig een hogerberoepschrift kon worden ingediend. In het verzetschrift heeft appellant betoogd dat, nu het hogerberoepschrift bij de Raad is ontvangen op 20 augustus 2009, is voldaan aan de voorwaarden van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb. Dit is echter reeds niet juist omdat het hogerberoepschrift niet vóór het einde van de termijn ter post is bezorgd. Het hogerberoepschrift is dus niet tijdig ingediend. Van feiten of omstandigheden die moeten leiden tot het oordeel dat de overschrijding van de termijn verschoonbaar is, is de Raad niet gebleken. Het verzet moet ongegrond worden verklaard. Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet is geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van R. Groothuis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2010. (get.) T.G.M. Simons. (get.) R. Groothuis. mm
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.