← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BL8107

09/4310 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 16 juni 2009, 08/712 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 19 maart 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. L.N. Foppen, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november

  1. Appellante is verschenen bij gemachtigde, mr. Foppen. Het Uwv was vertegenwoordigd door L. den Hartog. Ter zitting is het onderzoek geschorst teneinde appellante in de gelegenheid te stellen informatie van GGZ Oost-Brabant over te leggen. Appellante heeft op 23 december 2009 een brief van GGZ Oost-Brabant overgelegd van 4 december 2007 met daarbij gevoegd brieven van psychologe I.P.C. Verhagen van 4 december 2007, 22 oktober 2007 en 26 maart 2007 en een behandelingsbespreking van 28 november 2007, een brief van psychologe A. Mesken van 25 juni 2002 en een brief van klinisch psychologe/psychotherapeute M.R. van Helmondt van 18 april
  2. De bezwaarverzekeringsarts heeft op 6 januari 2010 op deze informatie gereageerd. Onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 8 januari
  3. Appellante is – zoals zij had bericht – niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door Den Hartog. Ter zitting is het onderzoek opnieuw geschorst teneinde het Uwv in de gelegenheid te stellen een gecorrigeerde rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 6 januari 2010 over te leggen. Het Uwv heeft op 14 januari 2010 een gecorrigeerde rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 6 januari 2010 overgelegd. Partijen hebben toestemming gegeven om de zaak zonder nadere zitting af te doen. II. OVERWEGINGEN 1.1 Appellante ontving een WAO-uitkering, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Bij besluit van 13 april 2007 heeft het Uwv deze uitkering per 14 juni 2007 ingetrokken omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt. 1.
  4. Bij besluit op bezwaar van 7 februari 2008 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit besluit gehandhaafd.
  5. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de medische beperkingen van appellante niet zijn onderschat en ziet geen aanleiding de door de verzekeringsarts aangescherpte beperkingen – zoals deze zijn neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 11 december 2007 – voor onjuist te houden. De rechtbank heeft voorts geen reden gezien om een urenbeperking voor appellante aan te nemen. De rechtbank is verder van oordeel dat de functie montagemedewerker niet aan appellante kan worden voorgehouden. De functies wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (sbc-code 267050), samensteller kunststof en rubberindustrie

(271130)en huishoudelijk medewerker
(111333)acht de rechtbank geschikt voor appellante zonder gevolgen voor het mediaan loon.
  1. In hoger beroep heeft appellante hiertegen aangevoerd dat zij dagelijks te maken heeft met sterke psychische problematiek en dat de ernst van haar haar lichamelijke klachten en beperkingen is miskend. Ten onrechte is geen urenbeperking aangenomen. De geduide functies vragen te veel van haar concentratievermogen, haar handelingstempo en haar mogelijkheden om te tillen. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft zij – naast de in rubriek I genoemde brieven – informatie van de neuroloog A.J.M. Kok en de chirurg J.A. Wegdam overgelegd. 4.
  2. De Raad overweegt als volgt. 4.
  3. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met haar stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. Ook in hoger beroep heeft appellante geen medische gegevens overgelegd die twijfel doen rijzen aan de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid. De informatie van de neuroloog en de chirurg dateert van ruim twee jaar na de datum in geding en leidt niet tot de conclusie dat in de FML onvoldoende beperkingen zijn opgenomen. De bij brief van 4 december 2009 overgelegde informatie van GGZ Oost-Brabant leidt evenmin tot een andere conclusie. Gelet op de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts van 2 oktober 2007/11 december 2007 en 6 januari 2010 is rekening gehouden met de depressieve stoornis. In de FML zijn forse beperkingen vastgesteld ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren. De Raad ziet in de informatie van GGZ Oost-Brabant geen reden om meer beperkingen aan te nemen. 4.
  4. Met betrekking tot de door de rechtbank geschikt geachte functies overweegt de Raad dat het gaat om functies die zowel psychisch als fysiek licht zijn. De Raad acht door de notities functiebelasting van 22 maart 2007, de rapportage van de arbeidsdeskundige van 12 april 2007, de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 5 februari 2008 en de ter zitting bij de rechtbank gegeven toelichting voldoende aannemelijk gemaakt dat deze functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijden. 4.
  5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt.
  6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart
  7. (get.) G. van der Wiel. (get.) A.E. van Rooij. EK

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.