09/4406 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv), tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 25 juni 2009, 08/783 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: [Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene) en het Uwv. Datum uitspraak: 23 maart 2010 I. PROCESVERLOOP Het Uwv stelde hoger beroep in. Namens betrokkene heeft mr. R.J. Skála, advocaat te Haren, een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting vond plaats op 2 maart
- Het Uwv liet zich vertegenwoordigen door W.R. Bos. Betrokkene was verschenen en liet zich bijstaan door mr. Skála. II. OVERWEGINGEN
- Het inleidende beroep richt zich tegen het besluit van 8 augustus 2008 (hierna: bestreden besluit) ter ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheid (WAO). Daarbij handhaafde het Uwv zijn besluit van 22 november 2007, waarbij de uitkering van betrokkene met ingang van 22 februari 2007 werd ingetrokken. 2.
- De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en gaf het Uwv de opdracht om opnieuw te beslissen op het bezwaar van betrokkene. 2.
- De rechtbank onderschreef de medische grondslag van het bestreden besluit. 2.
- Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overwoog de rechtbank – voor zover van belang – evenwel dat onvoldoende inzichtelijk en toetsbaar was geworden of de geduide functies daadwerkelijk geschikt waren voor betrokkene. In dit verband wees de rechtbank op de signaleringen ten aanzien van de items ‘Concentreren van aandacht’ en ‘Herinneren’ op de zich bij de gedingstukken bevindende formulieren ‘Resultaat functiebeoordeling’ welke naar het oordeel van de rechtbank niet door de bezwaararbeidsdeskundige waren gemotiveerd. 3.
- Het Uwv voert – voor zover relevant – aan dat de passendheid van de functies voldoende is toegelicht. 3.
- Betrokkene stelt zich op het standpunt dat – zakelijk weergegeven – onvoldoende rekening is gehouden met zijn medische beperkingen en dat (daarom) het verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige onderzoek onzorgvuldig is geschied. 4.
- Ten aanzien van de omvang van het geding in hoger beroep verwijst de Raad naar zijn eerdere uitspraak van 22 oktober 2008 (LJN BG1621). Hierin is als uitgangspunt neergelegd dat in beginsel de indiener van het hoger beroepschrift bepaalt waarover de rechter in hoger beroep een oordeel dient te geven. Een wederpartij die niet zelf hoger beroep heeft ingesteld, kan niet in het verweerschrift de rechtsstrijd uitbreiden door – zoals in dit geval – zich alsnog te keren tegen een oordeel van de rechtbank waarop het ingestelde hoger beroep – als gevolg van het feit dat de wederpartij geen hoger beroep heeft ingesteld – geen betrekking heeft. Op dit uitgangspunt zijn in voornoemde uitspraak enkele uitzonderingen geformuleerd, welke naar het oordeel van de Raad in het onderhavige geval niet van toepassing zijn. 4.
- De Raad stelt vast dat de rechtbank in haar overwegingen – begrepen naar de context van de aangevallen uitspraak – de beroepsgronden van betrokkene met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen. Nu betrokkene, of het Uwv daartegen niet in hoger beroep zijn gekomen, valt dat oordeel buiten de omvang van het hoger beroep. 5.
- Met betrekking tot hetgeen door het Uwv in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad het volgende. 5.
- In tegenstelling tot de rechtbank ziet de Raad de geduide functies, te weten productiemedewerker textiel (Sbc-code 272043), productiemedewerker industrie (Sbc-code 111180) en elektronica monteur (Sbc-code 267040), voor wat betreft de signaleringen op de items ‘Concentreren van de aandacht’ en ‘Herinneren’ voldoende toegelicht in de twee rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige van 19 november
- Ook de overige signaleringen acht de Raad van een afdoende motivering voorzien. 5.
- De Raad is aldus van oordeel dat betrokkene, uitgaande van de vastgestelde beperkingen, in staat moet zijn de geduide functies te kunnen vervullen. 5.
- Het hoger beroep slaagt.
- De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart
- (get.) R.C. Stam. (get.) M.A. van Amerongen. EK