08/4097 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 mei 2008, 07/3843 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College) Datum uitspraak: 16 maart 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. W.H. van Zundert, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari
- Voor appellant is verschenen mr. Van Zundert. Het College heeft zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen. II. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Appellant is bij besluit van 8 juni 2007 tot 15 mei 2008 ontheven van de arbeidsverplichtingen zoals neergelegd in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand (WWB). Na deze datum zal een nieuwe beoordeling plaatsvinden. 1.
- Bij besluit van 11 september 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 8 juni 2007 ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 11 september 2007 ongegrond verklaard.
- Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Voor een overzicht van het voor dit geding van belang zijnde wettelijke kader en een weergave van het door het College binnen dit kader gevoerde beleid verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. 4.
- De Raad stelt eerst vast dat in hoger beroep uitsluitend aan de orde is of het College appellant voor een langere periode dan voor een jaar ontheffing van de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB had moeten verlenen. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij op grond van zijn psychische beperkingen daarvan had moeten worden ontheven voor een periode van (minimaal) 24 maanden. 4.
- Het College heeft zijn besluit om de ontheffing van de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB voor de duur van een jaar te verlenen gebaseerd op het advies van Aob Compaz, diagnostiek & advies (hierna: Aob) van 22 september 2006, zoals aangepast op 15 mei
- Hierin is op grond van medisch en psychisch onderzoek geadviseerd dat appellant eerst onder begeleiding zijn medicijngebruik dient te verbeteren, dat zonder medicijngebruik de kansen op de arbeidsmarkt nihil zijn en dat na 12 maanden de belastbaarheid van appellant opnieuw dient te worden beoordeeld. In het rapport van Aob is neergelegd dat uit informatie van de huisarts en de psychiater van appellant een ernstig klachtenbeeld naar voren komt, waarbij de kanttekening wordt geplaatst dat deze informatie enkele maanden oud is en dat er in de tussentijd mogelijk veranderingen hebben plaatsgevonden in de situatie van appellant. 4.
- De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het College op goede gronden heeft besloten appellant niet langer dan een jaar te ontheffen van de arbeidsverplichting als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. Evenals de rechtbank oordeelt de Raad dat het College zich kon en mocht baseren op het aangepaste advies van het Aob, aangezien dit zowel wat betreft de wijze van totstandkoming als naar inhoud deugdelijk is te achten. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat in het advies aandacht is geschonken aan de door appellant gestelde klachten en dat informatie van de huisarts en psychiater bij het advies is betrokken. Met de kanttekening en het advies dat de informatie van de huisarts en de psychiater enkele maanden oud is en dat er in de tussentijd mogelijk veranderingen hebben plaatsgevonden in de situatie van appellant acht ook de Raad voldoende gemotiveerd waarom voor een vrijstelling voor een jaar en niet voor twee jaar is gekozen. Appellant heeft geen medische of andere gegevens overgelegd op grond waarvan hij voor een langere periode dan een jaar van de hier aan de orde zijnde verplichtingen had moeten worden ontheven. 4.
- Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
- De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 maart
- (get.) J.J.A. Kooijman. (get.) C. de Blaeij. SG