← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BL9494

08/1497 WWB 08/1526 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraken van de rechtbank Groningen van 15 januari 2008, 07/489 en 07/512 (hierna: aangevallen uitspraken 1 en 2), in de gedingen tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College) Datum uitspraak: 16 maart 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. S. de Vaal, advocaat te Groningen, tegen de aangevallen uitspraken afzonderlijk hoger beroep ingesteld. Het College heeft verweerschriften ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgevonden op 2 februari

  1. Voor appellant is verschenen mr. De Vaal. Het College heeft zich, zoals bericht, niet laten vertegenwoordigen. II. OVERWEGINGEN
  2. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  3. Appellant is een vreemdeling van Iraanse herkomst. Hij ontving bijstand naar de norm voor een alleenstaande laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). De bijstand is verscheidene malen onderbroken in verband met strafrechtelijke detenties. Op 6 oktober 2006 is appellant met toepassing van artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in vreemdelingenbewaring gesteld. 1.
  4. Bij besluit van 30 november 2006 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 6 oktober 2006 ingetrokken op de grond dat hij met ingang van die datum is gedetineerd. 1.
  5. Bij besluit van 15 december 2006 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie de vreemdelingenbewaring opgeheven op de grond dat andere belangen prevaleren. 1.
  6. Op 18 december 2006 heeft appellant een aanvraag gedaan om algemene bijstand. Bij besluit van 20 december 2006 heeft het College deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellant geen Nederlander is en niet met een Nederlander kan worden gelijkgesteld als bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB. 1.
  7. Bij besluit van 30 maart 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 30 november 2006 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het College overwogen dat er geen dringende redenen zijn om toch bijstand te verlenen. 1.
  8. Bij besluit van 13 april 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 20 december 2006 ongegrond verklaard. 2.
  9. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank - met een bepaling inzake proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het besluit van 30 maart 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd wegens schending van de hoorplicht in bezwaar en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat niet gebleken is dat de opgelegde vreemdelingenbewaring van aanvang af onrechtmatig was en dat appellant geen bewijsstukken heeft overgelegd van die onrechtmatigheid. Verder heeft zij overwogen dat uit de overigens niet onderbouwde stelling dat appellant in verband met die vreemdelingenbewaring een schadevergoeding van € 600,-- à € 700,-- zou hebben ontvangen, gelet op de hoogte van dit bedrag, ook niet kan volgen dat de vreemdelingenbewaring van begin af aan onrechtmatig is geweest. 2.
  10. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank - met een bepaling inzake proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het besluit van 13 april 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd wegens schending van de hoorplicht in bezwaar en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat appellant geen rechthebbende is in de zin van artikel 11 van de WWB. Naar aanleiding van het betoog van appellant dat hij desondanks in het verleden bijstand heeft ontvangen, heeft de rechtbank overwogen dat in het verleden gemaakte fouten het College er niet toe nopen appellant opnieuw ten onrechte bijstand te verstrekken.
  11. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand zijn gelaten. Tegen de aangevallen uitspraak 1 heeft appellant aangevoerd dat nu voor de rechtbank de rechtmatigheid van de vreemdelingenbewaring beslissend was, zij, omdat de hoorplicht in bezwaar was geschonden, de zaak had moeten aanhouden om appellant in de gelegenheid te stellen nadere stukken in te dienen, dan wel dat zij de rechtsgevolgen niet in stand had mogen laten. Tegen de aangevallen uitspraak 2 heeft appellant aangevoerd dat het College in het verleden bijstand heeft verleend omdat appellant vreemdelingenrechtelijk gedoogd werd, en nu hij nog steeds wordt gedoogd de bijstandsverlening moet worden voortgezet.
  12. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de tekst van de relevante bepalingen uit de WWB verwijst naar de aangevallen uitspraken. 4.
  13. Het besluit van 30 maart 2007 tot handhaving van de intrekking van bijstand met ingang van 6 oktober 2006 is een belastend besluit. Het is daarom aan het College om aannemelijk te maken dat appellant vanaf 6 oktober 2006 rechtens zijn vrijheid was ontnomen. De Raad stelt daarbij vast dat hier beoordeeld dient worden de periode van 6 oktober 2006 tot en met 30 november
  14. 4.
  15. Uit het besluit van 15 december 2006 tot opheffing van de vreemdelingenbewaring volgt niet dat de daaraan voorafgaande oplegging of tenuitvoerlegging onrechtmatig is geweest. Naar het oordeel van de Raad volgt, gelet op artikel 59, eerste lid, en artikel 94 van de Vreemdelingenwet 2000, uit de grond voor opheffing van de vreemdelingenbewaring, de verplichte tussentijdse rechterlijke beoordeling van die maatregel en de daarbij toepasselijke korte termijnen dat, behoudens door appellant te leveren tegenbewijs, de maatregel vanaf 6 oktober 2006 rechtmatig ten uitvoer werd gelegd. Appellant heeft geen rechterlijke uitspraak overgelegd waarin de oplegging of de tenuitvoerlegging onrechtmatig is geoordeeld, terwijl ten minste één beroepsprocedure tegen die maatregel moet zijn aangevangen waarin hij eiser was en waarvan hij dus de uitkomst moet kennen. 4.
  16. De rechtbank heeft bij die stand van zaken terecht aannemelijk geacht dat appellant op 6 oktober 2006 rechtens zijn vrijheid was ontnomen. Zij was niet verplicht de zaak ter zitting aan te houden om appellant nog in de gelegenheid te stellen nadere bewijsstukken in het geding te brengen, ook niet in verband met de omstandigheid dat appellant ten onrechte niet in bezwaar is gehoord. Immers, gelet op hetgeen in 4.4 is overwogen, lag het - ook in beroep - op de weg van appellant om tegenbewijs te leveren. Gezien de in artikel 8:72, derde en vierde lid, van de Awb aan de rechter na vernietiging van het bestreden besluit verleende bevoegdheden, mocht appellant er niet op vertrouwen dat hij de gelegenheid tot het leveren van tegenbewijs zou krijgen voorafgaande aan een nieuwe beslissing op bezwaar. Ook in hoger beroep heeft appellant zijn stellingen ten aanzien van de onrechtmatigheid van de vreemdelingenbewaring niet nader onderbouwd en vastgehouden aan het principiële betoog dat hij in verband met de schending van de hoorplicht in bezwaar daartoe niet gehouden was. Die welbewust aangenomen proceshouding dient voor risico van appellant te worden gelaten. De Raad komt daarom in hoger beroep niet tot een ander oordeel dan de rechtbank. 4.
  17. Appellant heeft niet bestreden het oordeel van de rechtbank dat het College niet op grond van dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB gehouden was de intrekking achterwege te laten. Hieruit volgt dat de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten. De aangevallen uitspraak 1 komt daarom - voor zover aangevochten - voor bevestiging in aanmerking. 4.
  18. Nu blijkens het voorgaande de intrekking van de bijstand met ingang van 6 oktober 2006 in rechte stand houdt, komt de Raad toe aan de beoordeling van de afwijzing van de aanvraag om bijstand van 18 december
  19. De Raad stelt onder verwijzing naar zijn uitspraak van 2 september 2008 (LJN BF0926) daarbij voorop dat de beoordelingsperiode in dit geval loopt van 18 tot en met 20 december 2006, zijnde de datum met ingang waarvan om bijstand is gevraagd tot en met de datum van het primaire besluit op die aanvraag. 4.
  20. Nu het hier gaat om een voor appellant begunstigend besluit op aanvraag, lag het op de weg van appellant om feiten te stellen en zonodig aannemelijk te maken waaruit volgt dat hij recht heeft op bijstand. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank dat tussen partijen niet in geschil is dat hij als vreemdeling geen rechthebbende is in de zin van artikel 11 van de WWB niet bestreden, zodat ook de Raad daarvan uit dient te gaan. Daaruit volgt dat het College, mede in verband met het bepaalde in artikel 16, tweede lid, van de WWB, niet bevoegd was appellant bijstand te verlenen. De enkele stelling dat het College in het verleden appellant toch bijstand heeft verleend, omdat hij in vreemdelingenrechtelijke zin werd gedoogd, en dat appellant nog steeds wordt gedoogd, kan niet in weerwil van de artikelen 11 en 16 van de WWB tot een recht op bijstand leiden. De rechtbank heeft daarom de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit terecht in stand gelaten. De aangevallen uitspraak 2 komt dus - voor zover aangevochten - voor bevestiging in aanmerking.
  21. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraken voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en R. Kooper en O.L.H.W.I. Korte als leden in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 maart
  22. (get.) R.H.M. Roelofs. (get.) N.M. van Gorkum. mm

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.