10/863 WWB-VV Centrale Raad van Beroep Voorzieningenrechter U I T S P R A A K als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van: het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: verzoeker), in verband met het hoger beroep van: verzoeker tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 januari 2010, 09/725 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: [betrokkene] (hierna: betrokkene) en verzoeker Datum uitspraak: 23 maart 2010 I. PROCESVERLOOP Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Verzoeker heeft een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan. II. OVERWEGINGEN
- De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.
- Betrokkene heeft op 7 juli 2008 een aanvraag ingediend voor een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 4 september 2008 heeft het College deze aanvraag afgewezen. Aan deze afwijzing is ten grondslag gelegd dat [A.B.] (hierna: [A.B.]) bij betrokkene in huis woont en dat zij met elkaar gehuwd zijn geweest of in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt. 1.
- Op 11 november 2008 heeft betrokkene opnieuw een aanvraag om bijstand ingediend. Bij besluit van 4 december 2008 is deze aanvraag afgewezen op de grond dat sedert het besluit van 4 september 2008 niets in de situatie van betrokkene is veranderd. 1.
- Bij besluit van 30 september 2008 is het bezwaar tegen het besluit van 4 september 2008 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft betrokkene geen beroep ingesteld. 1.
- Bij besluit van 3 februari 2009 is het bezwaar tegen het besluit van 4 december 2008 ongegrond verklaard op de grond dat betrokkene geen recht heeft op bijstand naar de norm voor een alleenstaande omdat hij een gezamenlijke huishouding voert met [A.B.] en zij in de periode van 2 jaar voorafgaand aan de aanvraag zijn aangemerkt als gehuwden en beiden nog steeds hun hoofdverblijf hebben op hetzelfde adres.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen over proceskosten en griffierecht - het namens betrokkene tegen het besluit van 3 februari 2009 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat verzoeker een nieuw besluit neemt op het bezwaar van betrokkene. De rechtbank is - samengevat - van oordeel dat verzoeker niet gerechtigd was om betrokkene het onweerlegbaar rechtsvermoeden tegen te werpen, nu het geregistreerd partnerschap van betrokkene ten tijde van zijn aanvraag om bijstand van 11 november 2008 langer dan twee jaar geleden was beëindigd.
- Verzoeker heeft verzocht om schorsing van de aangevallen uitspraak. Verzoeker is van oordeel dat het in ernstige mate tegen de systematiek van de wet indruist om bij twee personen die een gezamenlijke huishouding voeren aan één van hen bijstand naar de norm voor een alleenstaande te verlenen. Bovendien leidt dit voor verzoeker tot een situatie dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden niet op een adequate wijze kan worden uitgevoerd op grond waarvan verzoeker een spoedige beantwoording van de onderliggende rechtsvraag van groot belang acht. Daarnaast is verzoeker van oordeel dat het, in weerwil van de feitelijke situatie, verstrekken van bijstand naar de norm voor een alleenstaande - zeker op de lange termijn - voor verzoeker tot onoverkomelijke problemen zal leiden voor wat betreft de terugvordering.
- Naar aanleiding van dit verzoek overweegt de voorzieningenrechter het volgende. 4.
- Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 4.
- De voorzieningenrechter stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van 2 december 2003, LJN AO0764) de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om voorlopige voorziening te doen, niet is bedoeld om door middel van zogenoemde “kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Indien van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening voorafgaand aan de uitspraak in de hoofdzaak geen sprake is, is daarin een grond gelegen om geen gebruik te maken van de in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, en het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen. 4.
- De voorzieningenrechter ziet in hetgeen door verzoeker is aangevoerd geen zodanig spoedeisend belang dat de uitspraak in de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat hij in hetgeen verzoeker heeft aangevoerd geen grond ziet voor het standpunt van verzoeker dat hij geen uitvoering kan geven aan de aangevallen uitspraak omdat dit ernstig indruist tegen de systematiek van de wet. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat, indien verzoeker in afwachting van en onder voorbehoud van de uitkomst van het ingestelde hoger beroep opnieuw op het bezwaar beslist en de Raad, beslissende in de hoofdzaak, tot de slotsom zou komen dat het besluit van 3 februari 2009 in rechte stand kan houden, dit leidt tot een vernietiging van de aangevallen uitspraak en tot vernietiging van het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit. Daarnaast kan verzoeker, indien het nieuwe besluit op bezwaar meebrengt dat aan betrokkene een bijstandsuitkering wordt verleend, de periode waarover de bijstand aan betrokkene dient te worden verstrekt beperken tot 17 februari 2009 omdat betrokkene zich met ingang van die datum uit het bevolkingsregister heeft laten uitschrijven en naar een ander land is vertrokken. 4.
- Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de bodemprocedure niet zou kunnen worden afgewacht. 4.
- Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is, zodat de voorzieningenrechter, gelet op artikel 8:83, derde lid, van de Awb, uitspraak kan doen zonder zitting.
- Voor bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht is geen aanleiding. III. BESLISSING De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af. Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van H.E. Scheepers-van Die als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart
- (get.) N.J. van Vulpen-Grootjans. (get.) H.E. Scheepers-van Die. IJ