← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BM0265

09/4921 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 22 juli 2009, 08/765 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 2 april 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. L. Bovenkamp, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari

  1. Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde. Het Uwv was vertegenwoordigd door A.H.G. Boelen. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. Bij besluit van 4 september 2007 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat de aan hem verstrekte WAO-uitkering, berekend naar een percentage van 80-100, per 4 november 2007 (de datum in geding) ingetrokken wordt omdat de mate van arbeidsongeschiktheid per die datum minder is dan 15%. 1.
  3. Het door appellant gemaakte bezwaar is bij besluit van 15 april 2008 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
  4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat het verzekeringskundig onderzoek naar de beperkingen van appellant zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van de bij appellant vastgestelde beperkingen. 3.
  5. Appellant heeft in hoger beroep de medische rondslag van het bestreden besluit ter discussie gesteld en aangevoerd dat in de FML ten onrechte geen beperking is opgenomen op 1.9.9 (persoonlijk risico) in verband met zijn oververmoeidheid. Er is ten onrechte geen rekening gehouden met het gegeven dat appellant slechts een korte tekst kan lezen omdat hij anders duizelig wordt. Voorts had er een urenbeperking aangenomen moeten worden. Tot slot heeft appellant aangevoerd dat de aan de schatting ten grondslag liggende functies geen van alle geschikt zijn omdat ze allemaal zijn belastbaarheid overschrijden. 3.
  6. Het Uwv heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat de gronden van het hoger beroep dezelfde strekking hebben als de gronden zoals die bij de rechtbank zijn ingediend. Uit de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts van 22 oktober 2009 en de bezwaararbeidsdeskundige van 2 november 2009 blijkt dat zij geen reden zien om op basis van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd het eerder ingenomen standpunt te wijzigen. 3.3.
  7. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad als volgt. 3.3.
  8. Wat appellant ter onderbouwing van zijn hoger beroep heeft aangevoerd vormt een herhaling van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd. Nieuwe gezichtspunten zijn niet naar voren gebracht en er zijn geen objectieve medische gegevens ingebracht die alsnog twijfel doen rijzen aan de juistheid en volledigheid van de vastgestelde medische beperkingen, zoals die zijn weergegeven in de FML van 8 april
  9. De Raad kan zich vinden in de overwegingen van de rechtbank en het door haar daarop gebaseerde oordeel. De Raad maakt deze overwegingen tot de zijne. 3.
  10. De Raad is van oordeel dat de rechtbank ook de gronden van appellant die zien op de geschiktheid van de geduide functies afdoende heeft besproken en genoegzaam heeft gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De drie functies die aan de schatting ten grondslag liggen zijn, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, voor appellant in medisch opzicht passend te achten.
  11. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
  12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april
  13. (get.) G. van der Wiel. (get.) R.L. Rijnen. TM

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.