← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BM0471

08/6970 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 oktober 2008, 08/2679 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 7 april 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. E.J.M. van Daalhuizen, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari

  1. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Daalhuizen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.F.G. Hermans. II. OVERWEGINGEN
  2. Appellant is werkzaam geweest als medewerker komkommerkwekerij. In verband met rugklachten is hem per 29 januari 1999 uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Per 1 mei 2001 is de uitkering herzien naar de klasse 15 tot 25%. Na een herbeoordeling is de mate van arbeidsongeschiktheid per 21 juni 2004 herzien naar de klasse 25 tot 35%. Op 10 mei 2007 heeft verzekeringsarts M.F.L. Smol een medisch onderzoek verricht en aangegeven dat de linker schouder- en armklachten het grootste probleem vormen. Zij heeft een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld waarbij rekening is gehouden met die klachten. Na raadpleging van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) heeft arbeidsdeskundige A. de Zoete op 14 mei 2007 een aantal functies geselecteerd, tot het verrichten waarvan appellant in staat is geacht. De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 45 tot 55%. Aangezien de toename van de arbeidsongeschiktheid kennelijk is voortgekomen uit een andere ziekteoorzaak heeft het Uwv bij besluit van 16 mei 2007 geweigerd de WAO-uitkering te herzien.
  3. In bezwaar heeft appellant aangevoerd dat de rugklachten na een herniaoperatie in 1998 niet zijn afgenomen. In 2006 zijn klachten aan de linker schouder en -arm ontstaan met uitstraling naar het linker been. Voorts is gesteld dat de huisarts en de fysiotherapeut hebben aangegeven dat de schouder- en armklachten verband houden met de eerdere hernia. Door de gemachtigde van appellant is een brief van fysiotherapeut J.M. Tromp van 17 oktober 2007 ingebracht. Op 10 september 2007 heeft bezwaarverzekeringsarts S.M. Lustenhouwer een FML opgesteld waarin de schouder- en armklachten buiten aanmerking zijn gelaten. De beperkingen die voortvloeien uit de toegenomen beenklachten zijn wel in die FML meegenomen aangezien aannemelijk is geacht dat de beenklachten verband houden met de eerdere rugproblematiek. Arbeidsdeskundige De Zoete heeft op 25 september 2007 de arbeidskundige consequenties hiervan beoordeeld. Zij heeft vastgesteld dat uitgaande van de FML van 10 september 2007 de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd 25 tot 35% bedraagt. Bezwaarverzekeringsarts Lustenhouwer heeft op 13 februari 2008 het standpunt van verzekeringsarts Smol, dat de schouder- en armklachten kennelijk voortvloeien uit een andere ziekteoorzaak en om die reden niet meegenomen kunnen worden bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid, onderschreven. Nadatbezwaararbeidsdeskundige M.B. Thür-Emmerich op 26 februari 2008 de eerdere beoordeling door de arbeidsdeskundige bevestigd heeft, is het bezwaar bij besluit van 29 februari 2008 ongegrond verklaard.
  4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verzekeringsartsen noch de behandelende sector een verklaring hebben kunnen vinden voor de toegenomen schouder- en armklachten en niet is komen vast te staan dat die klachten gerelateerd zijn aan de eerdere hernia. Voorts is overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts heeft mogen afzien van het raadplegen van de huisarts, omdat er al informatie van de huisarts in het dossier aanwezig was.
  5. In hoger beroep zijn de eerdere gronden van bezwaar en beroep herhaald en heeft de gemachtigde van appellant aangekondigd dat nadere informatie van het Leids Universitair Medisch Centrum ingezonden zal worden. 5.
  6. De Raad overweegt als volgt. 5.
  7. Zoals ter zitting door de gemachtigde van het Uwv is bevestigd, is aan het bestreden besluit artikel 37 van de WAO ten grondslag gelegd. Ingevolge het eerste lid van dat artikel vindt ter zake van toeneming van arbeidsongeschiktheid herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, plaats zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken 104 weken heeft geduurd. In artikel 37, tweede lid, van de WAO is bepaald, dat de in het eerste lid bedoelde herziening niet plaatsvindt indien de uitkeringsgerechtigde bij het intreden van de toegenomen arbeidsongeschiktheid uitsluitend op grond van artikel 7b als werknemer wordt beschouwd en de toeneming kennelijk is voortgekomen uit een andere oorzaak dan die waaruit de ongeschiktheid, ter zake waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ontvangen, is voortgekomen. 5.
  8. De Raad stelt vast dat appellant de WAO-uitkering ontving in verband met de rugproblematiek. Appellant heeft zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld met linker schouder- en armklachten. Tegenover de verzekeringsarts heeft appellant bevestigd dat de rugklachten ongewijzigd zijn gebleven. De Raad overweegt dat noch de behandelende sector, waarbij de Raad doelt op orthopedisch chirurg dr. F.C. Öner, noch de (bezwaar)verzekeringsartsen een oorzakelijk verband tussen de eerdere rugproblematiek en de later ontstane schouder- en armklachten hebben vastgesteld. De Raad onderschrijft het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat de toegenomen klachten van de linker schouder en arm aangemerkt moeten worden als kennelijk voortvloeiend uit een andere ziekteoorzaak en bij de vaststelling van de beperkingen dus buiten aanmerking moeten blijven. Dit betekent dat de FML van 10 september 2007 per datum in geding maatgevend is. De Raad stelt vast dat de gemachtigde van appellant in hoger beroep geen nadere medische stukken heeft ingebracht en ziet in de beschikbare gegevens geen aanknopingspunten om de in de FML van 10 september 2007 vastgestelde beperkingen voor onjuist te houden. 5.
  9. De stelling dat het Uwv onzorgvuldig heeft gehandeld door in de bezwaarprocedure geen informatie bij de huisarts op te vragen onderschrijft de Raad niet. Het Uwv heeft daarvan naar het oordeel van de Raad kunnen afzien vanwege het feit dat de informatie over de schouder- en armproblematiek rechtstreeks verkregen was van de orthopedisch chirurg, naar wie de huisarts appellant juist vanwege die klachten had doorverwezen. Van een noodzaak om in de bezwaarprocedure alsnog de huisarts te raadplegen is naar het oordeel van de Raad geen sprake. 5.
  10. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad, dat de schatting berust op geschiktheid voor de functie van inpakker met sbc-code 111190, de functie van produktiemedewerker metaal en elektro-industrie met sbc-code 111171 en de functie van bezorger kranten, tijdschriften, wasgoed met sbc-code
  11. De Raad heeft in de voorhanden zijnde gegevens geen aanwijzingen gevonden dat appellant niet in staat zou zijn deze functies te verrichten. 5.
  12. Uit het onder punt 5.2 tot en met 5.5 overwogene vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
  13. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.W. Schuttel en C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 april
  14. (get.) Ch. van Voorst. get.) M. Mostert. JL

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.