08/7062 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 24 november 2008, 08/86 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: [Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene) en appellant. Datum uitspraak: 2 april 2010 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. A.L. Mijnssen, werkzaam bij Juridische Dienstverlening Nederland B.V. te Apeldoorn, een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari
- Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.J. van Kuilenburg. Betrokkene is niet verschenen. II. OVERWEGINGEN 1.
- Betrokkene heeft een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ontvangen, die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. De mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene is door appellant herbeoordeeld. De verzekeringsarts heeft betrokkene onderzocht op het spreekuur. De beperkingen van betrokkene zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). De arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat betrokkene in staat moet worden geacht de door hem geselecteerde functies te verrichten. Appellant heeft bij besluit van 21 maart 2007 de uitkering van betrokkene per 21 mei 2007 herzien naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. 1.
- De bezwaarverzekeringsarts heeft, na raadpleging van de behandelende sector, de FML op hoofdlijnen gehandhaafd. Daarbij heeft hij zich mede gebaseerd op de conclusies en bevindingen in een rapport van 18 maart 2005 van psychiater J. IJsselstein. De bezwaararbeidsdeskundige heeft een nadere motivering van de geschiktheid van de geselecteerde functies gegeven en de conclusie van de arbeidskundige bevestigd. Bij besluit van 5 december 2007 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard. 2.
- In beroep heeft betrokkene een rapport van 2 september 2008 van psychiater C.J.F. Kemperman overgelegd. Daarin heeft Kemperman geconcludeerd dat betrokkene in vergelijking met de door de bezwaarverzekeringsarts aangenomen belastbaarheid meer beperkt is voor emotionele problemen van anderen hanteren en eigen gevoelens uiten en aangewezen is op werk waarin zo nodig kan worden teruggevallen op directe collega’s of leidinggevenden. 2.
- Bij de aangevallen uitspraak is het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuwe beslissing op het bezwaar van betrokkene moet nemen. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat het medisch onderzoek naar de lichamelijke beperkingen onzorgvuldig is of de beperkingen zijn onderschat. Voorts is geoordeeld dat de psychische belastbaarheid onvoldoende is onderbouwd. Hierbij heeft de rechtbank zich gebaseerd op de conclusies van Kemperman. 3.
- Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat in de aangevallen uitspraak onvoldoende is gemotiveerd waarom de rechtbank de conclusies van Kemperman heeft gevolgd en niet de conclusies van IJsselstein heeft overgenomen. Ter onderbouwing van dit standpunt is een rapportage van 16 januari 2008 (bedoeld is: 2009) van de bezwaarverzekeringsarts ingediend. 3.
- Voorts heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft volstaan met beoordeling van de juistheid van de aangenomen beperkingen zonder te beoordelen of betrokkene desondanks in staat is de geselecteerde functies te verrichten. Appellant heeft een rapportage van 26 januari 2009 van de bezwaararbeidsdeskundige ingediend. De bezwaararbeidsdeskundige heeft functies geselecteerd aan de hand van een zogeheten fictieve FML, waarin de door psychiater Kemperman voorgestane beperkingen zijn opgenomen. De bezwaararbeidsdeskundige heeft na overleg met de bezwaarverzekeringsarts de bij de functies gepresenteerde signaleringen van een toelichting voorzien. De geselecteerde functies zijn dezelfde als de functies die voorafgaand aan het bestreden besluit geschikt zijn geacht. De bezwaararbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat geen ontoelaatbare overschrijdingen van de belastbaarheid zijn aangetroffen. In een rapportage van 28 september 2009 heeft de bezwaararbeidsdeskundige een nadere toelichting gegeven op de geschiktheid van de functies op een tweetal items. 3.
- Betrokkene heeft in hoger beroep het nadere standpunt ingenomen - zo begrijpt de Raad de brief van 22 december 2009 - dat zijn handklachten onvoldoende zijn onderkend.
- De Raad overweegt als volgt. 4.
- Met betrekking tot de primaire hoger beroepsgrond van appellant dat de rechtbank ten onrechte doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan de bevindingen en conclusies van Kemperman, overweegt de Raad dat deze bevindingen en conclusies in lijn liggen met die van IJsselstein. Zoals de bezwaarverzekeringsarts in de rapportage van 16 januari 2009 heeft aangegeven, bestaat er weinig verschil tussen hun bevindingen. Naar het oordeel van de Raad geldt dit evenzeer voor hun conclusies. Kemperman heeft betrokkene beperkt geacht met betrekking tot het omgaan met emotionele problemen. Hierover heeft IJsselstein opgemerkt dat omgang met emotionele problemen van anderen een te grote druk op betrokkene legt, hetgeen kan leiden tot een toename van de klachten. De Raad ziet hierin geen discrepantie. Ook de door Kemperman aangenomen arbeidsbeperking samenhangende met onduidelijke en onvoorspelbare gevoelsuitingen is terug te vinden in de conclusies van IJsselstein, die betrokkene beperkt acht in verband met zijn wisselende stemmingen. Met betrekking tot de conclusie van Kemperman dat betrokkene is aangewezen op werk waarbij hij kan terugvallen op collega’s, wijst de Raad erop dat IJsselstein heeft aangegeven dat betrokkene is aangewezen op een gestructureerde en voorspelbare werksituatie. 4.
- Gelet op het hiervoor overwogene is de Raad van oordeel dat de door appellant in hoger beroep overgelegde, door hem als fictief aangeduide FML van 16 januari 2009 waarin de door Kemperman aangegeven extra arbeidsbeperkingen zijn opgenomen, een juiste weergave bevat van de beperkingen die betrokkene ondervond op 21 mei 2007, de datum in geding. De Raad voegt hieraan toe dat hij betrokkene niet volgt in zijn stelling dat bij op deze datum verdergaand beperkt was in verband met zijn handklachten. De Raad kan zich vinden in de reactie van de bezwaarverzekeringsarts van 14 januari 2010 en volstaat dan ook met daarnaar te verwijzen. 4.
- Slaagt de primaire hoger beroepsgrond van appellant naar het oordeel van de Raad niet, de subsidiaire hoger beroepsgrond slaagt wel. In de in hoger beroep overgelegde rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 26 januari 2009, gelezen in samenhang met eerder in de procedure gebrachte arbeidskundige rapportages, is naar het oordeel van de Raad genoegzaam uiteengezet dat met inachtneming van de FML van 16 januari 2009 betrokkene de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies op de datum in geding kon vervullen.
- Gelet op het voorgaande dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd voor zover appellant daarbij is opgedragen om een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van betrokkene. De Raad zal bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven. Voor het overige moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.
- De Raad acht termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover appellant daarbij is opgedragen om een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van betrokkene; Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven; Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige; Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag groot € 322,-. Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april
- (get.) G. van der Wiel. (get.) A.E. van Rooij. IvR