09/4341 WTOS Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 24 juni 2009, 08/1761 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep). Datum uitspraak: 9 april 2010 I. PROCESVERLOOP In dit geding is een uitspraak aan de orde over een besluit dat is genomen door de IB-Groep. Op 1 januari 2010 is de Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank en wijziging van diverse wetten in verband met de oprichting van de Dienst Uitvoering Onderwijs in werking getreden. Als gevolg hiervan is de IB-Groep opgehouden te bestaan. Ingevolge artikel XXI, eerste lid, van de wet treedt in dit geding de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister) in de plaats van de IB-Groep. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep. Namens appellant heeft zijn moeder, [naam moeder van appellant], hoger beroep ingesteld. De Minister heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari
- Voor appellant is verschenen zijn moeder. De Minister was vertegenwoordigd door drs. P.M.S. Slagter. II. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant heeft een tegemoetkoming scholieren van 18 jaar en ouder op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) aangevraagd voor het volgen van een voltijdse VWO-opleiding in België. 1.
- Bij besluit van 23 oktober 2008 heeft de Minister zijn besluit tot weigering toekenning van een tegemoetkoming scholieren gehandhaafd onder de overweging dat voor een opleiding in België ingevolge het bepaalde in de artikelen 2.9 en 2.10 van de WTOS geen recht op een tegemoetkoming bestaat.
- De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 23 oktober 2008 bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de door appellant gevolgde opleiding in België niet valt onder te brengen onder een van de in de artikelen 2.9 en 2.10 van de WTOS genoemde opleidingen zodat volgens de WTOS geen recht op een tegemoetkoming bestaat. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het beroep van appellant op de hardheidsclausule niet slaagt.
- Het hoger beroep van appellant richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat in de bijzondere omstandigheden van dit geval geen aanleiding wordt gevonden om toepassing te geven aan de hardheidsclausule. 4.
- De Raad onderschrijft volledig het oordeel van de rechtbank, en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen, dat het beroep van appellant op de hardheidsclausule niet slaagt. 4.
- De Raad wijst er, evenals de rechtbank, op dat het de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever is dat slechts een tegemoetkoming scholieren ingevolge de WTOS kan worden verstrekt voor (bepaalde) in Nederland te volgen schoolopleidingen. Dit betekent dat noch de op zichzelf begrijpelijke keuze van appellant voor het volgen van een schoolopleiding in België, noch de overige door appellant aangevoerde omstandigheden, er toe kunnen leiden dat onder toepassing van de hardheidsclausule wordt afgeweken van de territoriale werking van de WTOS. 4.
- Het hoger beroep treft mitsdien geen doel. De aangevallen uitspraak moet dan ook worden bevestigd.
- Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en C.G. Kasdorp en J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 april
- (get.) G. van der Wiel. (get.) A.E. van Rooij. KR