← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BM0789

08/3080 TW 08/3081 TW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 16 april 2008, 07/1791 en 07/1792 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 2 april 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M.M.J.P. Penners, advocaat te Geleen, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober

  1. Appellante is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door P.J.L.H. Coenen. II. OVERWEGINGEN
  2. De rechtbank is op grond van de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen tot het oordeel gekomen dat het beroep van appellante tegen de besluiten van het Uwv van 24 oktober 2007 en 25 oktober 2007, waarbij het Uwv heeft gehandhaafd zijn terugvordering en invordering van de aan appellante over de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006 te veel betaalde uitkering, ongegrond is.
  3. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, behelst een verwijzing naar hetgeen zij reeds in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. Appellante is daarbij niet ingegaan op de overwegingen in de aangevallen uitspraak. Appellante heeft in hoger beroep voorts onder verwijzing naar artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gesteld dat zij door de terugvordering onevenredig zwaar in haar belangen is geschaad gelet op de belangen van het Uwv bij handhaving van de terugvordering.
  4. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de bij haar ingediende gronden – waaronder de grond dat het Uwv ten onrechte geen aanleiding heeft gezien zogenoemde dringende reden aanwezig te achten – afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en maakt die tot de zijne. Het beroep van appellante op artikel 3:4, tweede lid, van de Awb treft geen doel. Appellant heeft op geen enkele wijze aangegeven hoe het in dit artikellid neergelegde evenredigheidsbeginsel een rol zou kunnen spelen in een situatie als in geding waarin de terugvordering en de invordering dwingend zijn voorgeschreven.
  5. De Raad komt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
  6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J. Brand in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april
  7. (get.) J. Brand. (get.) T.J. van der Torn. KR

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.