09/1076 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 8 januari 2009, 08/1214 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 14 april 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft P.F.G. Jeurissen, register-arbeidsdeskundige te Houten, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarbij een medisch rapport was gevoegd, en een aanvullend arbeidskundig rapport ingezonden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart
- Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Rebel. II. OVERWEGINGEN 1.
- Aan appellante is met ingang van 22 februari 2005 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. 1.
- Bij besluit van 2 november 2005 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 3 januari 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Op het tegen dit besluit gemaakte bezwaar van appellante heeft het Uwv beslist op 2 juni
- Daarbij is het bezwaar gegrond verklaard en wordt de WAO-uitkering niet per 3 januari 2006 maar per 8 juni 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Appellante heeft tegen het besluit op bezwaar van 2 juni 2006 beroep ingesteld. Hangende deze procedure heeft het Uwv het besluit op bezwaar gewijzigd en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 45 tot 55%. De rechtbank heeft in het kader van het beroep W. Hokken, revalidatiearts te Amersfoort, benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek. Hokken heeft appellante onderzocht op 15 maart 2007 en op 31 juli 2007 rapport uitgebracht. In dit rapport wordt onder meer geconcludeerd dat appellante beperkt is in het aantal te werken uren (4 uur per dag en 20 uur per week). Naar aanleiding van dit rapport heeft het Uwv alsnog onder meer een urenbeperking toepasselijk geacht van vier uur per dag en 20 uur per week en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 8 juni 2006 gesteld op 65 tot 80%. Aangezien het Uwv hiermee volledig aan appellante was tegemoet gekomen, heeft de rechtbank bij uitspraak van 4 februari 2008 het beroep tegen de herziening van de uitkering per 8 juni 2006 niet-ontvankelijk verklaard. 2.
- Hangende de in 1.2 vermelde beroepsprocedure heeft het Uwv naar aanleiding van een herbeoordeling bij besluit van 3 juli 2007 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 23 augustus 2007 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Dit besluit was gebaseerd op een rapport van een voor het Uwv werkzame verzekeringsarts van 26 maart 2007, een door die arts opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van dezelfde datum, alsmede een arbeidskundig rapport van 22 juni
- 2.
- Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Op verzoek van bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal van 3 oktober 2007 heeft een neuropsychologisch onderzoek van appellante plaatsgevonden. Op 7 december 2007 heeft drs. R.P. Heuving, neuropsycholoog, van dat onderzoek verslag gedaan en de hem voorgelegde vragen beantwoord. Vervolgens heeft deze bezwaarverzekeringsarts op 13 december 2007 gerapporteerd en zich op het standpunt gesteld dat de FML van 26 maart 2007 op een enkel punt dient te worden bijgesteld, maar dat er terecht geen urenbeperking is aangenomen. Blijkens het rapport van 13 december 2007 heeft deze bezwaarverzekeringsarts telefonisch contact gehad met Heuving over het antwoord van laatstgenoemde op de vraag over de ten aanzien van appellante aan te nemen maximale arbeidsduur (per dag en per week). Bij besluit van 20 maart 2008 heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 23 augustus 2007 vastgesteld op 45 tot 55%. Tegen dit besluit (hierna: bestreden besluit) heeft appellante beroep ingesteld.
- De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank kon het betoog van appellante dat voor haar een urenbeperking moet worden aangenomen, nu dat uitdrukkelijk voortvloeit uit het rapport van Hokken, niet slagen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat, anders dan appellante aanneemt, het niet zo is dat het Uwv bij de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling per 23 augustus 2007 het rapport van Hokken buiten beschouwing heeft gelaten, nu het in het neuropsychologisch onderzoek van Heuving is betrokken. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat het rapport van Heuving en dat van bezwaarverzekeringsarts Admiraal van 13 december 2007 genoegzaam het standpunt van het Uwv onderbouwen dat met de op 17 december 2007 aangepaste FML, waarin geen urenbeperking is opgenomen, de belastbaarheid van appellante voor arbeid niet is overschat. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat de aan appellante voorgehouden functies in medisch opzicht voor haar geschikt zijn te achten. 4.
- In hoger beroep heeft appellante zich wederom op het standpunt gesteld dat haar belastbaarheid voor arbeid bij het bestreden besluit is overschat omdat het voor haar niet mogelijk is om voltijds te werken. Zij heeft daarvoor verwezen naar het rapport van Hokken en naar het feit dat zij getracht heeft te hervatten in arbeid en dat daaruit is gebleken dat werken in een voltijds functie (naast het draaiende houden van haar eenoudergezin en de opvoeding van haar zoon) voor haar niet haalbaar is. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft zij voorts een verklaring overgelegd van haar revalidatiearts E.W.J. Agterhof van 4 maart
- 4.
- Het Uwv heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat terecht geen urenbeperking is gesteld in de ten aanzien van appellante opgestelde, aangepaste FML. Daarbij is aangevoerd dat, nu Hokken zich voor zijn opvatting dat voor appellante een urenbeperking zou gelden met name had gebaseerd op de uitkomsten van een in 2006 verricht neuropsychologisch onderzoek, door het Uwv is overgegaan tot het nogmaals doen verrichten van zo’n onderzoek door Heuving omdat cognitieve/mentale beperkingen bij uitstek het terrein van de neuropsycholoog betreffen. Om die reden was een overleg tussen Heuving en Hokken niet nodig. Tot slot is gesteld dat bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling als de onderhavige de uit huishouding en gezinstaken voortvloeiende belasting buiten beschouwing dient te blijven. 5.
- Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en hij overweegt daartoe het volgende. 5.
- Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante niet kan worden gevolgd in haar stelling dat de mate van haar belastbaarheid voor arbeid bij het bestreden besluit is overschat, met name door het niet aannemen van een urenbeperking. De Raad kan zich vinden in de door de rechtbank aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen in de aangevallen uitspraak. Gelet op de aard van appellantes beperkingen is ook de Raad van oordeel dat het doen verrichten van een neuropsychologisch onderzoek en het aan het bestreden besluit ten grondslag leggen van de bevindingen en conclusies van dat onderzoek niet onzorgvuldig of onjuist is te achten. Met het Uwv ziet de Raad in het feit dat er geen overleg is geweest tussen Heuving en Hokken geen grond voor het oordeel dat aan het bestreden besluit, nu dat besluit wat het medisch aspect ervan betreft, op het rapport van Heuving is gebaseerd, een zorgvuldigheidsgebrek zou kleven. Aan Heuving is het rapport van Hokken ten behoeve van zijn onderzoek voorgelegd en Heuving heeft vervolgens op basis van zijn bevindingen en conclusies, de hem door het Uwv gestelde vragen beantwoord. Voorts is de Raad met het Uwv van oordeel dat bij het vaststellen van de belastbaarheid voor arbeid de belasting die voortvloeit uit het voeren van een huishouding en het verrichten van andere (gezins)taken buiten beschouwing dient te blijven. Tot slot acht de Raad bij het bestreden besluit genoegzaam onderbouwd dat de aan appellante voorgehouden functies voor haar in medisch opzicht geschikt zijn. 5.
- Op grond van het overwogene onder 5.1 en 5.2 is de Raad van oordeel dat het hoger beroep van appellante geen doel treft.
- De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en T. Hoogenboom en C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april
- (get.) H. Bolt. (get.) T.J. van der Torn. CVG