← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BM1246

08/6217 WIA Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 september 2008, 07/1982 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: de Bondsrepubliek Duitsland, zetelend te Berlijn, Duitsland (hierna: betrokkene) en appellant. Tevens heeft [naam werkneemster] (hierna: werkneemster), wonende te [woonplaats], als partij aan het geding deelgenomen. Datum uitspraak: 14 april 2010 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart

  1. Appellant is verschenen bij mr. M.H. Beersma en mr. B.S. Lindeman. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.C. Werts, advocaat te ’s-Gravenhage, bijgestaan door K. Nigbur. Werkneemster is niet ter zitting verschenen. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. Werkneemster is in 1980 in dienst getreden bij betrokkene en verrichtte werkzaamheden als lid van het huishoudelijk personeel - met name als [naam werkzaamheden] - zowel in de residentie van de Duitse ambassadeur als in de kanselarij van de Duitse ambassade in Nederland, gevestigd te ’s-Gravenhage. Zij heeft zich per 7 februari 2005 ziek gemeld in verband met ernstige hartklachten. Op het formulier Medische Informatie WIA van 1 november 2006 heeft de bedrijfsarts van betrokkene vermeld dat werkneemster volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en dat er sprake is van een stabiele situatie. Eveneens op 1 november 2006 heeft werkneemster haar aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend. 1.
  3. Bij besluit van 14 december 2006 heeft appellant het tijdvak van 104 weken waarover werkneemster recht heeft op loon tijdens ziekte (hierna: de wachttijd) met 52 weken verlengd. Appellant heeft deze verlenging (ook aangeduid als: de loonsanctie) opgelegd, omdat betrokkene zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er in 2006 geen duurzaam benutbare mogelijkheden voor werkneemster waren en dat geen re-integratie-activiteiten behoefden te worden verricht ten behoeve van werkneemster bij een andere werkgever (hierna: het tweede spoor). Voor dit verzuim ontbreekt volgens appellant een deugdelijke grond. 1.
  4. Bij besluit van 19 maart 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft appellant het daartegen ingediende bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard.
  5. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak - met bepalingen over proceskosten en griffierecht - het door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op het bezwaar van betrokkene neemt met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. De rechtbank is van oordeel dat betrokkene als werkgeefster ter zake van haar verplichtingen op grond van het Burgerlijk Wetboek en de Wet WIA in beginsel mag afgaan op het deskundig en medisch oordeel van de door haar ingeschakelde arbodienst. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat betrokkene op grond van concrete aanwijzingen gegronde redenen had om te twijfelen aan het oordeel van de arbodienst. De rechtbank volgt voorts niet het standpunt van appellant dat betrokkene vóór 14 december 2006, de datum van het opleggen van de loonsanctie, re-integratie-activiteiten had moeten verrichten via het tweede spoor. 3.
  6. In hoger beroep heeft appellant betwist dat betrokkene, beoordeeld tot het moment van het opleggen van de loonsanctie, voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Betrokkene heeft, na de mislukte werkhervatting van werkneemster binnen de eigen organisatie in oktober 2005, verzuimd zich in het tweede ziektejaar (tevens) te oriënteren op re-integratie via het tweede spoor, terwijl uit de stukken niet blijkt van enige onderbouwing van de stelling van de bedrijfsarts dat werkneemster in 2006 geen duurzaam benutbare arbeidsmogelijkheden had. In een rapport van 5 december 2006 heeft de verzekeringsarts N.L. van Luntesburg uitvoerig de medische situatie van werkneemster uiteengezet en geconcludeerd dat er in 2005 weliswaar zeer beperkte tot geen duurzaam benutbare arbeidsmogelijkheden waren, maar dat die mogelijkheden in 2006 voor werkneemster wel bestonden. 3.
  7. Betrokkene heeft - samengevat weergegeven - verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
  8. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, is in geschil of appellant terecht de wachttijd die liep van 27 februari 2005 tot 27 februari 2007, met 52 weken heeft verlengd. Het geschil heeft zich toegespitst op de vraag of appellant zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er in de periode van 7 februari 2005 tot 14 december 2006 sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen door betrokkene als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA, omdat in 2006 geen re-integratie-activiteiten zijn ingezet via het tweede spoor. 5.
  9. De Raad, oordelend allereerst over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende. 5.
  10. Vastgesteld kan worden dat de stukken voldoende steun bieden voor de conclusie van appellant dat in het relevante tijdvak ten aanzien van werkneemster sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen door betrokkene bij een andere werkgever. In dit verband wijst de Raad op de rapporten van de (bezwaar)arbeidsdeskundigen van 11 december 2006, respectievelijk 22 februari 2007 en 28 juni 2007 en voorts op de rapporten van de (bezwaar)verzekeringsartsen van 5 december 2006, respectievelijk 27 juni
  11. In het rapport van de verzekeringsarts van 5 december 2006 is naar aanleiding van dossieronderzoek, het inwinnen van informatie bij de behandelend sector en onderzoek van de werkneemster op 5 december 2006 uitvoerig ingegaan op de relevante medische aspecten. Vermeld is dat blijkens de beschikbare medische informatie werkneemster in 2005 intensief is behandeld (revalidatie en behandeling psyche) en adequaat begeleid, met een significante verbetering in de conditionele en psychische situatie. Gelet op de klachten in 2005, de intensieve behandelingen destijds en het advies van de behandelend sector waren er in dat jaar zeer beperkte tot geen duurzaam benutbare mogelijkheden. In augustus 2005 heeft de behandelend hartspecialist echter reeds aangegeven dat, wat de situatie van het hart en de conditie betreft, er op termijn wel mogelijkheden in arbeid voor werkneemster zijn. Voorts heeft de verzekeringsarts geconstateerd dat de psyche is verbeterd en dat bij onderzoek geen sprake is van onvermogen in persoonlijk en sociaal functioneren als gevolg van een ernstige psychiatrische stoornis. Sinds eind 2005 heeft werkneemster ook geen medicatie meer. De begeleiding van werkneemster in 2006 is vooral gericht geweest op het beter omgaan met de rug en het versterken van haar ego met behulp van assertiviteitstrainingen en trainingen voor het omgaan met pijn. De verzekeringsarts heeft daarbij de conclusie getrokken dat ten onrechte van de zijde van betrokkene is gesteld dat er geen duurzaam benutbare mogelijkheden zijn en dat eveneens ten onrechte re-integratie-activiteiten niet zijn ondernomen, omdat werkneemster benutbare mogelijkheden heeft in rugsparende arbeid. De bezwaarverzekeringsarts heeft deze conclusies onderschreven in zijn rapport van 27 juni 2007 en aangegeven dat gedurende de gehele wachttijd er geen sprake is geweest van een ernstige psychische stoornis en dat er op fysiek gebied evenmin sprake is geweest van problematiek die een onvermogen tot het verrichten van arbeid inhoudt. Chronische rugklachten, zo heeft de bezwaarverzekeringsarts terecht opgemerkt, vormen op zich geen reden te concluderen tot afwezigheid van duurzaam benutbare mogelijkheden. Nadere medische informatie - behoudens die van de bedrijfsarts - die het standpunt van betrokkene ondersteunen, ontbreekt. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant dan ook terecht de conclusie getrokken dat betrokkene gedurende de wachttijd, beoordeeld tot 14 december 2006, te afwachtend was en dat haar re-integratie-inspanningen in die periode wat betreft het tweede spoor onvoldoende zijn geweest. In dit verband wijst de Raad er nog op dat de door betrokkene ingeschakelde bedrijfsarts blijkens zijn rapportage van 30 oktober 2006 ook op dat moment enkel de werksituatie bij betrokkene in ogenschouw heeft genomen en geen aandacht heeft geschonken aan eventuele mogelijkheden voor werkneemster bij een andere werkgever. Voorts kan op grond van de gedingstukken worden vastgesteld dat betrokkene en ook haar bedrijfsarts zich wat de re-integratie-inspanningen betreft ten onrechte in overwegende mate hebben laten leiden door hetgeen werkneemster als haar mogelijkheden aangaf. De Raad onderschrijft tevens de conclusie van appellant dat betrokkene voor haar tekortkomingen op het vlak van de re-integratie-inspanningen geen deugdelijke grond heeft gehad. 5.
  12. Voor zover betrokkene zich op het standpunt stelt dat het haar in de periode vanaf het intreden van de arbeidsongeschiktheid per 7 februari 2005 tot aan de oplegging van de loonsanctie bij besluit van 14 december 2006 heeft ontbroken aan begeleiding door appellant, stelt de Raad vast dat de concrete invulling van de re-integratie een taak is van betrokkene als werkgeefster. De Raad merkt in dit verband op dat in gevallen als hier aan de orde, waarin niet tussentijds aan appellant om een deskundigenoordeel is gevraagd, appellant niet eerder kennis krijgt van de van belang zijnde situatie dan bij gelegenheid van de indiening van de aanvraag om een WIA-uitkering. 5.
  13. Met betrekking tot het door betrokkene ingenomen standpunt dat zij steeds de adviezen van haar bedrijfsarts heeft gevolgd en dat zij niet aansprakelijk is voor de mogelijke tekortkomingen daarvan, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 18 november 2009, LJN BK3713, waarin hij heeft geoordeeld dat het Uwv er terecht van uitgaat dat de verantwoordelijkheid voor re-integratie bij de werkgever is gelegen. In hetgeen betrokkene in beroep en hoger beroep heeft aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding ten aanzien van betrokkene als werkgeefster tot een andersluidend oordeel te komen. 6.
  14. Uit hetgeen hiervoor onder 5.3 en 5.4 is overwogen volgt dat de Raad - anders dan de rechtbank - van oordeel is dat het bestreden besluit waarbij de opgelegde loonsanctie is gehandhaafd in rechte stand kan houden. 6.
  15. Het hoger beroep slaagt derhalve en de aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, verklaart de Raad het beroep ongegrond.
  16. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april
  17. (get.) Ch. van Voorst. (get.) M. Mostert. JL

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.