← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BM1497

09/1553 TW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 9 maart 2009, 08/3348 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 16 april 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. drs. E. Olof, advocaat te Zeist, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart

  1. Voor appellante is haar gemachtigde verschenen. Het Uwv heeft zich – met voorafgaand bericht – niet laten vertegenwoordigen. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. Het beroep is gericht tegen het besluit van het Uwv van 27 oktober
  3. Met dit besluit heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 april 2007, waarbij van haar een bedrag van € 22.973,11 wordt teruggevorderd aan onverschuldigd betaalde toeslag ingevolge de Toeslagenwet over de periode van 1 december 2000 tot en met 28 februari 2007, ongegrond verklaard. 1.
  4. Het Uwv gaf met het besluit van 27 oktober 2008 uitvoering aan de uitspraak van de rechtbank van 30 september 2008, 07/
  5. Bij deze uitspraak overwoog de rechtbank dat het Uwv met zijn specificatie van de betaalde toeslagen per jaar geen voldoende inzicht heeft gegeven in de berekening van het totaalbedrag van de terugvordering. Om die reden vernietigde de rechtbank het besluit van 31 juli 2007, waarmee het Uwv op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 april 2007 had beslist. Alle andere beroepsgronden van appellante tegen het besluit van 31 juli 2007 werden door de rechtbank verworpen. Appellante heeft tegen de uitspraak van de rechtbank van 30 september 2008 geen rechtsmiddel aangewend.
  6. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 27 oktober 2008 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv de berekening van het terugvorderingsbedrag met het besluit van 27 oktober 2008 wel voldoende inzichtelijk gemaakt.
  7. Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat haar de berekening van het bedrag van de terugvordering nog steeds niet duidelijk is. Zij heeft opmerkingen gemaakt over de duur van de betalingsregeling, die zij met het Uwv is overeengekomen, en over het kwijtscheldingsbeleid dat het Uwv hanteert. Ter zitting van de Raad heeft zij nog het standpunt betrokken dat het Uwv het door haar terug te betalen bedrag met een aan haar echtgenoot na te betalen uitkering had moeten verrekenen.
  8. De Raad overweegt het volgende. 4.
  9. In dit geding staat uitsluitend de hoogte van het bedrag van de terugvordering ter discussie en niet de invordering en de daarbij opkomende vraag of een verrekening mogelijk is. Als appellante een wijziging wenst van het maandelijkse aflossingsbedrag of in aanmerking wil komen voor kwijtschelding van het restantbedrag van de schuld, zal zij zich met een daarop gericht verzoek tot het Uwv moeten wenden. 4.
  10. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het Uwv met de berekening die is opgenomen in het besluit van 27 oktober 2008 voldoende duidelijk heeft gemaakt dat appellante over de periode van 1 december 2000 tot en met 28 februari 2007 een bedrag van (ten minste) € 22.973,11 ten onrechte aan toeslag heeft ontvangen. Met de vermelding van het bedrag van de toeslag per dag, de data en percentages van de indexeringen en het aantal betaaldagen per periode van een half jaar (of korter) heeft het Uwv op een voor appellante controleerbare wijze de door hem gemaakte berekening toegelicht. Appellante heeft niet aangevoerd dat de berekening onjuistheden bevat. Dat de berekening uitkomt op een bedrag dat iets meer dan € 2,00 hoger is dan het bedrag dat wordt teruggevorderd is geen reden om de berekening van het bedrag, waartoe het Uwv de terugvordering heeft beperkt, onvoldoende gespecificeerd te achten. 4.
  11. Het hoger beroep slaagt niet. De Raad zal de aangevallen uitspraak bevestigen.
  12. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 april
  13. (get.) M. Greebe. (get.) R.L. Rijnen. IvR

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.