← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BM1557

09/3718 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 mei 2009, 08/5089 (hierna: de aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 16 april 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant stelde mr. R. Kücükünal, advocaat te Rotterdam, hoger beroep in. Het Uwv voerde verweer. De zitting vond plaats op 5 februari

  1. Namens appellant verscheen mr. Kücükünal. Namens het Uwv verscheen mr. drs. J. Hut. De Raad schorste het onderzoek om appellant de gelegenheid te bieden een nadere medische verklaring over te leggen. Met een brief van 8 maart 2010 liet appellant weten geen gebruik te maken van de geboden mogelijkheid. Vervolgens zagen partijen af van een vervolgzitting. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. Het inleidende beroep richt zich tegen het besluit van 26 november 2008 dat het Uwv ter uitvoering van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) nam. Met dat besluit handhaaft het Uwv zijn besluit van 23 juli 2008, waarbij het Uwv weigerde om appellant per 15 september 2008 een WIA-uitkering toe te kennen. Het Uwv berekende de mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 35%.
  3. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. 3.
  4. Appellant staakte zijn werk als schilder met ingang van 18 september 2006 wegens maagklachten en psychische klachten. Hij bouwde zijn werkzaamheden weer op, toen hij in januari 2008 zijn onderbeen bij een bedrijfsongeval gecompliceerd brak. 3.2.
  5. De verzekeringsarts zag appellant in verband met de uitvoering van de Ziektewet op zijn spreekuur van 11 december 2006, 24 mei 2007, 2 augustus 2007 en 23 november
  6. 3.2.
  7. Op 20 juni 2008 vond in verband met de WIA een medische keuring plaats. Rekening houdend met een aanpassingsstoornis met gedragsstoornis en de gevolgen van de beenbreuk, stelde deze arts een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op met daarin ook beperkingen voor sociaal functioneren. De bezwaarverzekeringsarts onderzocht appellant zelf. Bij zijn onderzoek constateerde hij een forse atrofie aan het linkerbeen, de beenbreuken worden geheeld. De bezwaarverzekeringsarts is van mening dat de FML voldoende rekening houdt met de arbeidsbeperkingen die appellant als gevolg van de beenklachten en psychische klachten ondervindt. 3.
  8. De arbeidsdeskundige selecteerde functies waarvan de belasting binnen de grenzen van de FML blijft. Het aan die functies verbonden loon overtreft het loon dat appellant als schilder kan verdienen. 3.
  9. Partijen zijn het er over eens dat appellant zijn werk niet meer kan verrichten en ook de Raad gaat daar van uit.
  10. Appellant herhaalt in hoger beroep als beroepsgrond dat zijn medische beperkingen in de FML zijn onderschat. Hij is van mening dat in die FML onvoldoende rekening is gehouden met zijn psychische klachten en beroept zich in dat verband op een verklaring van de hem behandelende psychiater, die als hoofddiagnose schizoaffectieve stoornis en als nevendiagnose waanstoornis (cave) met een GAF-score van 45 vermeldt. 5.
  11. De Raad onderschrijft ten volle de aangevallen uitspraak. 5.2.
  12. De verklaring van de behandelende psychiater gaf de bezwaarverzekeringsarts aanleiding tot de volgende reactie: “Ik moet zeggen dat deze diagnose mij verrast. In het hele dossier wordt geen enkele maal de mogelijkheid geopperd dat een dergelijke aandoening van toepassing zou kunnen zijn. Tot nu toe ging het om een fractuur van het been en problemen in de impulsbeheersing. Er vindt ook geen enkele motivatie plaats van deze diagnose. Ik mis een beschrijving van de psychiatrische afwijkingen waaruit blijkt dat sprake is van genoemde diagnose op as I. Ook mis ik datum onderzoek door psychiater voor of na de bestreden datum. Ik mis eveneens het moment waarop de GAF score is vastgesteld. Ook is niet duidelijk waarom er sprake is van een GAF score van
  13. Van een eventuele waanstoornis is al helemaal niets gebleken bij de diverse verzekeringsartsen die belanghebbende onderzochten.” 5.2.
  14. De Raad onderschrijft de strekking van dit commentaar. Net als voor de rechtbank is voor de Raad de verklaring van de behandelende psychiater onvoldoende tot twijfel aan het naar behoren gemotiveerde en consistente oordeel van de (bezwaar)verzekeringsarts. De overgelegde verklaring van de behandelende psychiater stelt een verrassende diagnose en mist daarvoor iedere onderbouwing. Appellant maakte geen gebruik van de hem geboden gelegenheid om deze verklaring in dit opzicht te laten aanvullen. 5.
  15. De bezwaararbeidsdeskundige lichtte de geschiktheid van de functies voldoende toe.
  16. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal de Raad bevestigen.
  17. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 april
  18. (get.) R.C. Stam. (get.) T.J. van der Torn. IvR

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.