← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BM1559

09/222 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 27 november 2008, 08/3434 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 16 april 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. A.A. Bouwman, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en rapportages van zijn bezwaarverzekeringsarts en bezwaararbeidsdeskundige van respectievelijk 22 februari 2009 en 9 maart

  1. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart
  2. Voor appellant is zijn gemachtigde verschenen. Voor het Uwv verscheen mr. C. Roele. II. OVERWEGINGEN
  3. Het beroep is gericht tegen het ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) op 4 maart 2008 door het Uwv bekend gemaakte besluit. Daarbij heeft het Uwv de intrekking van de, voordien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% berekende, WAO-uitkering van appellant niet gehandhaafd. De uitkering is met ingang van 7 augustus 2007 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
  4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 4 maart 2008 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het besluit een deugdelijke medische grondslag en zijn de functies, waarop de schatting steunt, voor appellant geschikt te achten.
  5. Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat meer beperkingen moeten worden aangenomen in verband met een sociale fobie, alcoholgebruik, een recidiverende depressie, een posttraumatische stressstoornis en een kwetsbare huid. Hij betwist de geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, onder andere omdat hij de Nederlandse taal zeer matig beheerst en zijn psychische problematiek eraan in de weg staat de taal beter te leren.
  6. De Raad overweegt het volgende. 4.
  7. Het betoog van appellant dat zijn psychische beperkingen zijn onderschat steunt vooral op de rapportage van psycholoog S.J. Balcombe en psychiater P. Wauben, beiden verbonden aan PsyQ, van 24 oktober 2008 en een telefonische mededeling van Balcombe aan de gemachtigde van appellant dat er reden is om aan te nemen dat de klachten, die bij de aanvang van de behandeling door PsyQ in mei 2008 werden geconstateerd, ook al aanwezig waren op de in dit geschil relevante datum. 4.
  8. Voor de stelling dat er in augustus 2007 al sprake was van de door Balcombe en Wauben beschreven problematiek ziet de Raad geen aanknopingspunten in de in het dossier aanwezige medische gegevens. Appellant is na het hem in 1994 overkomen bedrijfsongeval in verband met daaraan gerelateerde psychische klachten behandeld door de RIAGG. De behandeling is geëindigd in maart 1995 omdat appellant niet meer op afspraken verscheen. Appellant heeft zich in juni 2007 tot zijn huisarts gewend met klachten van somberheid, angst en slaapproblemen. Van enige behandeling in de periode tussen maart 1995 en juni 2007 is niet gebleken. De huisarts heeft in zijn brief van 11 oktober 2007 aan de gemachtigde van appellant uiteengezet dat de medicatie die hij appellant voorschreef goed effect had. Van een alcoholprobleem, als beschreven door Balcombe en Wauben, heeft de huisarts geen melding gemaakt. Mede gelet op het feit dat appellant in zijn contact met de verzekeringsarts A.J.D. Versteeg op 8 mei 2007 heeft gezegd niet onder behandeling te zijn, geen medicatie te gebruiken en goed te slapen en tijdens de hoorzitting op 16 oktober 2007 heeft meegedeeld dat hij alleen bij de huisarts komt voor medicatie in de vorm van slaappillen en antidepressiva, komt het de Raad niet aannemelijk voor dat voor het moment van verwijzing naar PsyQ, waarvan op de datum in geding nog geen sprake was, al klachten bestonden met een ernst als omschreven in de rapportage van 24 oktober
  9. De Raad volgt de bezwaarverzekeringsarts in haar opvatting dat in augustus 2007 sprake was van niet meer dan een beperkte psychopathologie. Uit de brief van de huisarts volgt dat de noodzaak van verwijzing van appellant naar PsyQ na medio oktober 2007 moet zijn opgekomen. Aan de telefonische mededeling van Balcombe kent de Raad geen betekenis toe. Met enige beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren van appellant is in de Functionele Mogelijkheden Lijst van 30 oktober 2007 rekening gehouden. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat voor verdergaande beperkingen geen aanwijzingen kunnen worden gevonden in de medische gegevens die zien op de datum in geding. 4.
  10. De bezwaarverzekeringsarts heeft in haar rapportages uiteengezet dat appellant zijn kwetsbare huid van de handen met handschoenen kan beschermen, indien bij het verrichten van werkzaamheden contact met agressieve stoffen niet kan worden vermeden. Appellant heeft niet gesteld dat het dragen van handschoenen voor hem op medische gronden niet mogelijk is. Met de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 27 februari 2008 is naar het oordeel van de Raad voldoende toegelicht dat de functie van schoonmaker voor appellant is geschikt is als hij bij “nat schoonmaakwerk” handschoenen draagt. Van een werkgever mag worden verwacht dat hij handschoenen verstrekt die van een voldoende kwaliteit zijn en niet lekken. 4.
  11. De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat de functies, waarop de schatting is gebaseerd, niet geschikt zijn vanwege de matige beheersing van appellant van de Nederlandse taal. De Raad stelt vast dat de (bezwaar)verzekeringsartsen en de arbeidsdeskundige appellant hebben gesproken en hebben vastgesteld dat hij in staat is om in het Nederlands (ten minste een eenvoudig) gesprek te voeren. Appellant heeft dus al een kennis van de Nederlandse taal die voldoende is voor een mondelinge communicatie in eenvoudige werkzaamheden. Omdat in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geen hogere opleidingseis wordt gesteld dan enkele jaren basisonderwijs, kan de stelling van appellant dat hij in verband met zijn psychische klachten niet in staat is de Nederlandse taal beter te leren beheersen onbesproken blijven. 4.
  12. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat met de rapportages van de (bezwaar)arbeidsdeskundigen voldoende vaststaat dat de belasting in de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellant niet te boven gaat. Toegelicht is dat van een hoog handelingstempo geen sprake is. 4.
  13. Uit het voorgaande volgt dat het besluit van 4 maart 2008 een voldoende medische grondslag heeft, dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn te achten en dat in die functies geen taaleis wordt gesteld waaraan appellant niet zou kunnen voldoen. Het hoger beroep slaagt niet. De Raad zal de aangevallen uitspraak bevestigen.
  14. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 april
  15. (get.) M. Greebe. (get.) R.L. Rijnen. IvR

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.