09/2904 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 13 mei 2009, 08/853 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv). Datum uitspraak: 21 april 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant is hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart
- Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A.C. Blankestijn, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J. Gerritsen. II. OVERWEGINGEN 1.
- Voor een uitvoeriger overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende. 1.
- Bij besluit van 20 november 2007 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant per 5 december 2007 geen recht op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder is dan 35%. Het Uwv heeft het tegen dit besluit door appellant gemaakte bezwaar bij besluit van 10 juli 2008 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard, op de grond dat zij zich, kort weergegeven, kan verenigen met de medische en arbeidskundige grondslag van dat besluit.
- Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat zijn belastbaarheid onjuist is vastgesteld en verwijst daartoe (wederom) naar de WSW-indicaties van 24 november 2006 en 8 september 2008 en de daaraan ten grondslag liggende (medische) stukken. In die indicaties zijn meer beperkingen vermeld dan in de voor appellant opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst en het Uwv heeft geen deugdelijke verklaring gegeven voor dit verschil, aldus appellant. 4.
- De Raad overweegt als volgt. 4.
- De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit en onderschrijft de aan de aangevallen uitspraak ten grondslag liggende overwegingen. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft gesteld, brengt de Raad niet tot een ander oordeel. De Raad overweegt hiertoe dat appellant in hoger beroep geen (nadere) objectieve medische gegevens heeft ingebracht die zijn stelling ondersteunen dat hij ten tijde van de datum in geding verdergaand beperkt is dan is aangenomen door het Uwv. Ook de eerder vermelde WSW-indicaties en de daaraan ten grondslag liggende stukken leiden de Raad niet tot een ander oordeel over de mate van belastbaarheid van appellant. De beperkingen die in het kader van de eerste WSW-indicatie zijn vastgesteld zijn gebaseerd op spreekuurcontacten met appellant over de eerste zes maanden van het jaar 2006 en hebben geen betrekking op de datum in geding, te weten 5 december
- Appellants stelling dat de tweede WSW-indicatie is toegekend wegens ongewijzigde medische omstandigheden, zodat aangenomen dient te worden dat de eerder in het kader van de WSW vastgestelde beperkingen ook ten tijde hier van belang van toepassing waren, slaagt niet. Uit de WSW-gegevens blijkt immers dat aan deze tweede indicatie geen medisch onderzoek ten grondslag heeft gelegen, maar louter gebaseerd is op een oordeel van een werkcoach, zodat hieraan niet de waarde toegekend kan worden die appellant eraan gehecht zou willen zien. 4.
- Aldus uitgaande van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen is de Raad voorts met de rechtbank van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. 4.
- Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen.
- De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april
- (get.) T. Hoogenboom. (get.) M. Mostert. IvR