08/2915 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 25 maart 2008, 07/2685 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Oss (hierna: college) Datum uitspraak: 1 april 2010 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari
- Appellant is verschenen, bijgestaan door A.A.G. van den Meerendonk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door S. Philipse, G. van Tiem en J. Janssens, allen werkzaam bij de gemeente Oss. II. OVERWEGINGEN
- Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Appellant was werkzaam als bouwkundige HBO-B bij de gemeente Oss. Naar aanleiding van het nieuw vastgestelde formatieplan heeft de directeur van de dienst Gemeentebedrijven een voorstel gedaan voor de plaatsing van appellant. In de vergadering van 9 maart 2004 heeft het college besloten dat de functie van bouwkundige HBO-B, wat betreft aard en niveau, in het nieuwe formatieplan nagenoeg ongewijzigd terugkomt als projectleider B in het cluster Vastgoedontwikkeling van de afdeling Vastgoed van de dienst Gemeentebedrijven. Bij brief van 25 maart 2004 is dit aan appellant kenbaar gemaakt. Daarbij is ook de functiebeschrijving en de uitslag van de functiewaardering gevoegd. Voor zover hier nog van belang, heeft appellant tegen de plaatsing in de functie projectleider B bezwaar gemaakt. 1.
- Bij besluit van 4 juli 2007 (hierna: bestreden besluit) is het tegen het besluit tot plaatsing van appellant in de functie projectleider B gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
- De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, omdat het besluit niet berust op een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft voorts aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het college ter zitting alsnog heeft toegelicht waarom de oude functie van appellant overeenkomt met de nieuwe functie projectleider B en niet met de functie projectleider C. Gelet op deze toelichting heeft de rechtbank de plaatsing van appellant in de functie projectleider B onderschreven.
- Naar aanleiding van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt. 3.
- Op grond van artikel 6, eerste lid, van het Sociaal Statuut 2004 van de gemeente Oss zal, indien een bestaande functie na organisatiewijziging onveranderd of grotendeels en op hoofdlijnen terugkeert in het formatieplan, de zittende ambtenaar deze functie ook in de nieuwe organisatie vervullen. Daarbij wordt met name bezien of het vakgebied en de aard van het werk grotendeels gelijk blijven. Ook het schaalniveau dient niet te sterk af te wijken van de functie waarin de ambtenaar tot dan toe was geplaatst. Om vast te stellen of de functie grotendeels en op hoofdlijnen terugkeert, wordt een vergelijking gemaakt van de functiebeschrijvingen van de oude en de nieuwe functie. De feitelijke werkzaamheden van de medewerker zijn daarvoor niet van belang. 3.
- Het college heeft voorafgaand aan het besluit tot plaatsing de functie van project-leider B beschreven. Appellant is in de gelegenheid gesteld zijn bedenkingen kenbaar te maken, waarna de functiebeschrijving is vastgesteld. Daartegen heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend. Dit betekent dat de functiebeschrijving van projectleider B in rechte onaantastbaar is geworden, zodat daarvan moet worden uitgegaan. 3.
- Voorts heeft het college de functiebeschrijving van de functie bouwkundige HBO-B uit 1996 en die van de nieuwe functie projectleider B vergeleken en geconcludeerd dat het vakgebied en de aard van het werk in beide beschrijvingen grotendeels en op hoofdlijnen gelijk zijn. Ook het niveau van de functie projectleider B wijkt niet af van het niveau van de oude functie nu beide functies zijn ingedeeld in functieschaal
- Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat die conclusie van het college juist is, waarmee is voldaan aan het uitgangspunt voor plaatsing zoals dat is verwoord in het Sociaal Statuut
- 3.
- De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat hij had moeten worden geplaatst in de functie projectleider C. Uit de functiebeschrijvingen en de toelichting van het college ter zitting van de rechtbank blijkt dat de projectleider B werkzaam is op zogenoemde enkelvoudige functionele werkgebieden, terwijl de projectleider C werkzaam is op meervoudige functionele werkgebieden. Deze functies komen dan ook niet overeen. Voorts heeft de beschrijving van de oude functie van appellant betrekking op enkelvoudige functionele projecten, zodat hij niet in aanmerking komt voor plaatsing in de functie projectleider C. Dat de projecten mogelijk complexer zijn geworden, maakt dit niet anders. Uit de toelichting van het college blijkt genoegzaam dat het begrip complexe projecten niet hetzelfde is als het begrip meervoudige functionele projecten. Naar het oordeel van de Raad heeft het college appellant dus terecht in de functie projectleider B geplaatst. 3.
- Ten slotte is de Raad van oordeel dat voor zover appellant een beroep heeft gedaan op een toezegging van zijn leidinggevende dat zijn functie zou worden gerepareerd en dat hem een hogere schaal zou worden toegekend, deze toezegging niet is gedaan door het bevoegd gezag. Anders dan appellant heeft gesteld, was het college ook op grond hiervan niet gehouden om appellant in de functie projectleider C te plaatsen. 3.
- Gelet op het vorenoverwogene dient de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, te worden bevestigd.
- De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april
- (get.) H.A.A.G. Vermeulen). (get.) P.W.J. Hospel. HD