← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BM2246

08/6867 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 oktober 2008, 07/3402 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Korpsbeheerder van de politieregio Rotterdam-Rijnmond (hierna: korpsbeheerder) Datum uitspraak: 15 april 2010 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart

  1. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. V.M. Weski, advocaat te Rotterdam. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Çevik, werkzaam bij de politieregio Rotterdam-Rijnmond. II. OVERWEGINGEN
  2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  3. Appellant was vanaf 1 april 1994 in vaste dienst werkzaam bij de politieregio, laatstelijk in de functie van hoofdmedewerker basispolitiezorg. Sedert zijn echtscheiding en het aangaan van een nieuwe relatie had appellant financiële problemen, waarvoor hij, in overleg met een functionaris van de afdeling P & O, begin 2005 de bemiddeling heeft ingeroepen van de Gemeentelijke Kredietbank (GKB). Toen in december 2005 duidelijk werd dat de vrijwillige schuldsaneringsbemiddeling door de GKB niet zou lukken, heeft appellant in 2006 schuldsanering aangevraagd op grond van de zogenoemde Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP), welke aanvraag in september 2006 is toegewezen. 1.
  4. Op 14 maart 2006 heeft appellant in het kader van de zogenoemde CAO à la Carte, een aanvraag ingediend bij de politieregio voor een fiets ten behoeve van het woon-werkverkeer, te betalen met de korpsbonus en met verrekening van flexibel inzetbare vakantie-uren. Naar aanleiding van binnengekomen signalen dat er bij de declaraties in het kader van de CAO à la Carte frauduleus was gehandeld, is een grootschalig disciplinair onderzoek ingesteld. Daarbij is gebleken dat ongeveer 40 politie-functionarissen, onder wie appellant, het declaratieformulier in meer of mindere mate onjuist hadden ingevuld. Bij het onderzoek heeft appellant onmiddellijk verklaard dat hij een tweedehands fiets had gekocht en het geld overigens had besteed aan de aanschaf van een wasmachine. 1.
  5. Nog voordat het grootschalige onderzoek geheel was afgerond is aan appellant het voornemen kenbaar gemaakt hem wegens functionele ongeschiktheid ontslag te verlenen. Nadat appellant zijn zienswijze had kenbaar gemaakt, heeft de korpsbeheerder appellant bij besluit van 11 december 2006 met ingang van 15 januari 2007 eervol ontslag verleend uit de dienst. Dit besluit was gebaseerd op een onvoldoende functioneren over een langere periode, op de zorgwekkende financiële situatie van appellant, waardoor hij een risico vormt voor het korps en op het indienen van de onterechte declaratie, waardoor hij zich niet integer heeft betoond en zich daarmee heeft gediskwalificeerd voor een functie als politieambtenaar. 1.
  6. De korpsbeheerder heeft dit ontslagbesluit, na bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 15 augustus
  7. Daarbij heeft de korpsbeheerder het advies van de Bezwaarschriftencommissie rechtspositionele besluiten gevolgd, voor zover daarin was overwogen dat niet aannemelijk is gemaakt dat appellant gedurende langere periode onvoldoende had gefunctioneerd. Het advies dat niet tot ontslag wegens ongeschiktheid kon worden besloten omdat appellant serieus bezig was met het op orde brengen van zijn financiële situatie, heeft de korpsbeheerder niet overgenomen, omdat de commissie naar zijn mening ten onrechte voorbij was gegaan aan de samenhang tussen de financiële problemen en de onjuiste declaratie.
  8. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat vanwege het willens en wetens niet integer handelen, de korpsbeheerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet beschikt over de voor zijn functie vereiste eigenschappen, mentaliteit en instelling. De rechtbank heeft het beroep op het gelijkheidsbeginsel verworpen, omdat van de andere politieambtenaren die onjuist hadden gedeclareerd niet bekend is dat die in een vergelijkbare financiële situatie verkeerden. 3.1.Appellant heeft in hoger beroep met name aangevoerd dat sprake is van ongelijke behandeling omdat collega’s die eveneens onjuist gebruik hadden gemaakt van de à la carte-regeling, geen ontslag hebben gekregen, zodat het besluit niet gedragen kan worden door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. 3.
  9. De korpsbeheerder heeft zijn standpunten gehandhaafd.
  10. De Raad overweegt het volgende. 4.
  11. Appellant is ontslagen wegens ongeschiktheid voor het vervullen van zijn functie anders dan wegens ziekte of gebreken. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 19 maart 2009, LJN BH8722 en TAR 2009, 122) moet ongeschiktheid - zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn - worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar. Van ontslag op deze grond zal in het algemeen niet eerder sprake kunnen zijn dan nadat de ambtenaar op zijn functioneren of gedrag is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld dit te verbeteren. 4.
  12. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat er met grote regelmaat politiefunctionarissen in zodanig ernstige financiële problemen verkeren dat inschakeling van schuldhulpverlening noodzakelijk is. Om die reden heeft het korps een vast contract afgesloten met een erkend schuldhulpverleningsbureau. Nadat appellant binnen het korps melding had gemaakt van zijn financiële problemen en had aangegeven schuldhulpverlening via het korps op prijs te stellen, is hij in een brief van februari 2005 gewaarschuwd om zich nauwgezet aan de voorwaarden van het schuldhulpverleningsbureau te houden, op straffe van - in het uiterste geval - (voorwaardelijk) strafontslag. Vaststaat dat appellant zich deze waarschuwing ter harte heeft genomen en zich aan de voorwaarden en consequenties van het schuldsanerings-traject heeft gehouden. Naar het oordeel van de Raad betekent het voorgaande dat de schuldensituatie niet als grondslag voor het ongeschiktheidsontslag kan dienen. De korpsbeheerder heeft dat in het bestreden besluit ook erkend. Ter zitting van de Raad heeft appellant overigens verklaard dat zijn schulden inmiddels via de WSNP zijn gesaneerd en dat hij thans vrij van schulden is. 4.
  13. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is voorts naar voren gekomen dat niet alleen appellant, maar in totaal ongeveer 40 politiefunctionarissen zich bij de gebruikmaking van de CAO à la Carte schuldig hebben gemaakt aan het indienen van een onjuiste declaratie. Ook die collega’s hebben zich dus niet integer betoond, zodat ook van die collega’s gezegd zou kunnen worden dat zij zich diskwalificeren voor een functie als politieambtenaar. Aan die collega’s zijn echter disciplinaire straffen opgelegd, variërend van een financiële straf tot - in twee gevallen - voorwaardelijk strafontslag. Alleen bij appellant is - al vóór de afronding van het disciplinaire onderzoek naar de overige betrokkenen - niet gekozen voor een disciplinaire afdoening, maar voor een ontslag wegens dienstongeschiktheid. 4.
  14. De Raad onderschrijft op zichzelf het standpunt van de korpsbeheerder dat een politieambtenaar met financiële problemen een verhoogd veiligheidsrisico vormt. De korpsbeheerder heeft in het bestreden besluit aangevoerd dat de grond voor een afwijkende sanctionering van de onjuiste declaratie van appellant, is gelegen in de samenhang tussen het onjuiste declaratiegedrag en zijn financiële problemen. De Raad heeft inderdaad vastgesteld dat appellant ruiterlijk heeft erkend dat zijn onjuiste declaratie was ingegeven door zijn financiële situatie. 4.
  15. Met appellant is de Raad echter van oordeel dat een mogelijk verschil in motief en achtergrond voor de onjuiste declaratie, een zó wezenlijk verschil in uitkomst tussen appellant en zijn collega’s - ontslag dan wel een disciplinaire straf met behoud van dienstverband - onvoldoende kan rechtvaardigen. Nu enerzijds appellant zich hield aan de voorwaarden van het schuldsaneringstraject, terwijl anderzijds van zijn collega’s niet vaststaat dat zij niet ook uit financiële motieven hebben gehandeld, brengt het gelijkheidsbeginsel naar het oordeel van de Raad met zich mee dat ook voor appellant de weg van de disciplinaire bestraffing gekozen had dienen te worden. Het bestreden besluit kan om die reden niet in stand blijven. 4.
  16. Aangezien een opnieuw op te leggen sanctie die neerkomt op ontslag zich naar het oordeel van de Raad niet verdraagt met het gelijkheidsbeginsel, ziet de Raad daarin aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ook het primaire ontslagbesluit herroepen. De Raad wil daarbij overigens niet nalaten op te merken dat wanneer de korpsbeheerder besluit appellant alsnog voor zijn misstap te bestraffen, de Raad een flinke disciplinaire bestraffing zeker op zijn plaats acht.
  17. Het hier overwogene leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden en voor vernietiging in aanmerking komt, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten. Tevens zal de Raad het besluit van 11 december 2006 herroepen.
  18. In het vorenstaande vindt de Raad tevens aanleiding de korpsbeheerder op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de korpsbeheerder aan de griffier van de Raad. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit; Herroept het primaire besluit van 11 december 2006; Veroordeelt de korpsbeheerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.288,-, te betalen aan de griffier van de Raad; Bepaalt dat de korpsbeheerder aan appellant het in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 359,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K.J. Kraan en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van M. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april
  19. (get.) H.A.A.G. Vermeulen. (get.) M. Koopman. HD 21.03

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.