← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BM2341

08/4711 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 juli 2008, 07/3939 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: college) Datum uitspraak: 15 april 2010 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart

  1. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. R.G.J. van Ommeren, advocaat te Amsterdam. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Burghout, juridisch adviseur te Monnickendam, en F.L. de Vries, werkzaam bij GVB Exploitatie BV te Amsterdam. II. OVERWEGINGEN
  2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.
  3. Appellant was als personenvervoerder werkzaam bij het voormalig Gemeentevervoerbedrijf van de gemeente Amsterdam (hierna: GVB). Bij besluit van 21 juli 2006 heeft het college aan appellant met toepassing van artikel 1003, eerste lid, aanhef en onder f, van het Ambtenarenreglement Amsterdam (ARA), in verbinding met artikel 1004 van het ARA, strafontslag opgelegd, omdat appellant in strijd met de bedrijfsvoorschriften tijdens zijn remisedienst zonder toestemming van zijn leidinggevende naar huis is gegaan. Daarbij is bepaald dat die straf pas ten uitvoer zal worden gelegd als appellant zich binnen twee jaar wederom schuldig maakt aan een soortgelijk of enig ander ernstig plichtsverzuim. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend. 1.
  4. Op 7 augustus 2006 heeft appellant zich bij de afdeling dagreserve ziekgemeld. Een poging van zijn leidinggevende om in aansluiting hierop met appellant telefonisch in contact te komen, slaagde niet. Vervolgens heeft de leidinggevende bij brieven van 9 en 16 augustus 2006 appellant verzocht om contact op te nemen. Toen appellant hieraan geen gehoor gaf is hij bij brieven van 29 augustus 2006 geschorst en uitgenodigd voor een verantwoordingsgesprek op 13 september
  5. Een uur na het tijdstip waarop dit gesprek zou plaatsvinden heeft appellant het gesprek telefonisch afgezegd. 1.
  6. Bij besluit van 20 december 2006 is het college op grond van artikel 1003, eerste lid, aanhef en onder f, van het ARA in samenhang met artikel 1004 van het ARA, overgegaan tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk ontslag met onmiddellijke ingang, omdat appellant tijdens zijn ziekte van 7 augustus 2006 tot 13 september 2006 niet bereikbaar was voor zijn leidinggevende en hij in die periode evenmin contact heeft opgenomen met zijn leidinggevende, zoals hem was verzocht. Daarmee heeft hij volgens het college de geldende voorschriften bij ziekte overtreden. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 7 september 2007 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.
  7. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
  8. De Raad overweegt als volgt. 3.
  9. De Raad stelt eerst vast dat het besluit tot voorwaardelijk strafontslag van 21 juli 2006, nu appellant daartegen geen rechtsmiddelen heeft aangewend, als een vaststaand gegeven moet worden beschouwd. In dit geding dient dan ook de vraag te worden beantwoord of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het besluit van het college tot tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijk ontslag in rechte stand kan houden. 3.
  10. Naar vaste rechtspraak (CRvB 13 april 2006, LJN AW4578 en TAR 2006, 132) dient bij toetsing van een besluit tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk strafontslag beoordeeld te worden of het gepleegde plichtsverzuim uitvoering van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf rechtvaardigt, waarbij er naast die beoordeling geen plaats meer is voor een evenredigheidstoetsing. Beoordeeld dient derhalve te worden of het college de voor de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf in aanmerking te nemen belangen heeft afgewogen en of hij in redelijkheid heeft kunnen komen tot het bestreden besluit. 3.
  11. Appellant heeft in hoger beroep niet betwist dat hij tijdens zijn ziekte van 7 augustus 2006 tot 13 september 2006 telefonisch niet bereikbaar was voor zijn leidinggevende en geen gehoor heeft gegeven aan de schriftelijke verzoeken van zijn leidinggevende om contact op te nemen dan wel met hen een gesprek te voeren. Appellant heeft zich echter op het standpunt gesteld dat hij zich daarmee niet schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, omdat volgens hem van de kant van het GVB onvoldoende activiteiten is ontplooid om met hem tijdens zijn ziekte in contact te komen. 3.
  12. Gezien de hiervoor onder 1.2 beschreven inspanningen van het college volgt de Raad appellant niet in dit standpunt. Dat medewerkers van het GVB appellant in de periode in geding niet thuis zouden hebben bezocht, vormt naar het oordeel van de Raad - daargelaten wat daarvan verder is - bovendien geen rechtvaardiging om geen gevolg te geven aan de verzoeken van zijn leidinggevende om contact op te nemen. 3.
  13. Gezien het vorenstaande staat voor de Raad voldoende vast dat appellant zich niet heeft gehouden aan de toepasselijke regels en voorschriften bij ziekte, waarin is bepaald dat de zieke medewerker er voor dient te zorgen dat de leidinggevende contact met hem kan opnemen en dat de medewerker verplicht is gehoor te geven aan oproepen van een leidinggevende voor een gesprek. Deze regels en voorschriften zijn appellant nog kort voor 7 augustus 2006 door zijn leidinggevende onder de aandacht gebracht. De Raad is dan ook van oordeel dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. 3.
  14. De Raad kan appellant niet volgen in zijn betoog dat hij in de periode in geding door het kort daarvoor overlijden van zijn twee zussen in een zodanige psychische gemoedstoestand verkeerde dat het plichtsverzuim hem in het geheel niet kan worden toegerekend. Desgevraagd heeft de bedrijfsarts verklaard dat de resultaten van zijn op 18 september 2006 en 13 november 2006 verrichte onderzoek van appellant hem geen aanleiding hebben gegeven om te oordelen dat appellant in de periode van 7 augustus 2006 tot 13 september 2006 psychisch niet in staat was om contact met zijn leidinggevende te onderhouden. In de door appellant overgelegde verklaring van de huisarts van 12 januari 2006 (bedoeld is: 2007) en het verkort spreekuurverslag van 30 oktober 2006 ziet de Raad onvoldoende reden om hierover anders te oordelen, nu de daarin vermelde medische informatie geen uitspraak doet over de vraag of appellant in de periode hier in geding al dan niet in staat was contact met zijn leidinggevende te onderhouden. 3.
  15. Het gepleegde plichtsverzuim betreft evenals het plichtsverzuim dat aan het besluit van 21 juli 2006 tot het opleggen van de straf van voorwaardelijk ontslag ten grondslag lag, het zich niet houden aan de geldende regels met betrekking tot afwezigheid (wegens ziekte of op andere gronden). Voorts staat vast dat appellant dit plichtsverzuim heeft gepleegd tijdens de proeftijd van het hem opgelegde voorwaardelijk strafontslag. De Raad is dan ook van oordeel dat het college bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de tenuitvoerlegging heeft kunnen besluiten.
  16. Het hoger beroep van appellant slaagt dus niet en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
  17. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en M.C. Bruning en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april
  18. (get.) J.G. Treffers. (get.) P.W.J. Hospel. HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.