09/3218 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 1 mei 2009, 08/1017 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 28 april 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. A.L. Mijnssen, werkzaam bij Juridische Diensverlening Nederland B.V., hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart
- Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.H.C. de Bruijn. II. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant is fulltime (voor ongeveer 36 uur per week) werkzaam geweest als timmerman. In 1991 heeft hij zich ziek gemeld als gevolg van whiplashklachten. Na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken is hem een uitkering toegekend op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, welke uitkering later is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. 1.
- In 2007 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant herbeoordeeld op grond van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, zoals dit per 1 oktober 2004 is komen te luiden. Op basis van de conclusies van een medisch en een arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 17 augustus 2007 de WAO-uitkering van appellant per 18 oktober 2007 ingetrokken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid per deze datum is vastgesteld op minder dan 15%. 1.
- Bij besluit van 22 januari 2008 is het bezwaar van appellant tegen de intrekking ongegrond verklaard. Daaraan ligt een rapport van de arbeidsdeskundige J. de Ridder-van den Berg van 25 september 2007 ten grondslag. Hierin heeft zij vermeld en nader toegelicht dat zij de voor de berekening gebruikte functies van portier/toezichthouder, telefonist/receptionist en surveillant bewakingsdienst voor appellant geschikt acht, uitgaande van de in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgenomen beperkingen. Voorts ligt aan dat besluit een rapport van bezwaarverzekeringsarts A.L. Mathoera van 8 januari 2008 ten grondslag. Dit houdt in dat hij appellant niet kan volgen in diens opvatting dat er verdergaande beperkingen in acht moeten worden genomen voor cognitieve vaardigheden, fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen, statische houdingen en duur van de arbeid (volgens appellant is maximaal dertig uur per week mogelijk). 2.
- Appellant heeft tegen het besluit van 22 januari 2008 (hierna: het bestreden besluit) beroep ingesteld. Bij de aangevallen uitspraak is zijn beroep ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat zij de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit juist acht. 3.
- In hoger beroep heeft appellant hetgeen hij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht in essentie herhaald. Daarnaast heeft hij aangevoerd vanwege zijn beperkingen niet in staat te zijn de door het Uwv in aanmerking genomen functies uit te oefenen, ook omdat hij hierbij gedurende langere tijd een vaste houding moet aannemen. 3.
- Het Uwv heeft de Raad heeft verwezen naar het rapport van Mathoera van 8 januari 2008, waarin is aangegeven waarom voldoende rekening is gehouden met de beperkingen van appellant. Voorts stelt het Uwv dat De Ridder-Van den Berg voldoende heeft gecontroleerd dat de belasting in de gehanteerde functies voor appellant niet te zwaar is.
- De Raad oordeelt als volgt. 4.
- De Raad kan de conclusie van de rechtbank over de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit onderschrijven. Er zijn van de zijde van appellant noch in de bezwaarfase, noch in beroep en hoger beroep medische gegevens toegezonden die zijn stelling onderbouwen dat hij op 18 oktober 2007 meer of anders beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Zo heeft appellant geen medische gegevens overgelegd waarin is vermeld dat hij, anders dan uit het onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen naar voren is gekomen, niet gedurende een bepaalde tijd in eenzelfde houding kan zitten, en dat hij zodanig beperkt is dat hij in voor hem geschikte arbeid niet gedurende ongeveer 36 uur per week werkzaam kan zijn. 4.
- Voorts is ook de Raad van oordeel dat de onder 1.3 genoemde functies, die voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid zijn gehanteerd, voor appellant op 18 oktober 2007 geschikt konden worden geacht, uitgaande van de door het Uwv vastgestelde functionele beperkingen en de arbeidskundige toelichtingen. Hierbij merkt de Raad nog op dat er voldoende rekening mee is gehouden dat appellant is aangewezen op neksparende arbeid, dat hij wat betreft statische houdingen niet gedurende enige tijd boven schouderhoogte hoeft te werken, en dat hij zijn hoofd niet langdurig in een bepaalde stand hoeft te houden. Voorts gaat het om eenvoudige en fysiek niet zware functies, waarbij enige afwisseling in houding mogelijk is. 4.
- Het voorgaande leidt ertoe dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
- Voor een veroordeling van een van de partijen in de proceskosten bestaat geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april
- (get.) J. Riphagen. (get.) R.L. Rijnen. JL