← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BM3675

09/2372 WUBO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), en de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster) Datum uitspraak: 29 april 2010 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 19 maart 2009, kenmerk BZ 8735, JZ/O60/2009 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wubo). Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart

  1. Appellant is daar in persoon verschenen, terwijl verweerster zich ter zitting heeft laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. OVERWEGINGEN
  2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  3. Na afwijzing van een eerdere aanvraag in 1992 heeft appellant, geboren in 1941 in het voormalige Nederlands-Indië, in juli 2008 een hernieuwde, meer uitgebreide aanvraag ingediend om als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo in aanmerking te worden gebracht voor, onder meer, een periodieke uitkering. Deze aanvraag heeft appellant gebaseerd op gezondheidsklachten, die naar zijn mening een gevolg zijn van zijn oorlogservaringen in het voormalig Nederlands-Indië. 1.
  4. Verweerster heeft de aanvraag van appellant afgewezen bij besluit van 20 oktober 2008, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Daartoe is overwogen dat nog steeds niet is voldaan aan de voorwaarden voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer zoals vermeld in artikel 2, eerste lid, van de Wubo, aangezien in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat appellant is getroffen door onder de Wubo vallend oorlogsgeweld.
  5. De Raad staat voor de vraag of, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, het bestreden besluit in rechte kan standhouden. Hiertoe wordt overwogen als volgt. 2.
  6. Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder a, b, d en f, van de Wubo wordt - voor zover hier van belang en kort samengevat - onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan: degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 of gedurende de daaraan direct aansluitende periode van ongeregeldheden in het voormalige Nederlands-Indië (de zogenoemde Bersiap-periode) lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen - ten gevolge van met de krijgsverrichtingen of ongeregeldheden direct verbonden handelingen of omstandigheden; - ten gevolge van direct tegen hem gerichte handelingen of maatregelen door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode; - ten gevolge van confrontatie met extreem geweld tegen derden door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode. 2.
  7. Uit de gedingstukken is de Raad gebleken dat de aanvraag van appellant mede steunt op de ontwrichting van het (gezins)leven, de armoede en de dreiging die het gezin waartoe hij behoorde heeft ervaren ten gevolge van de Japanse bezetting en de onlusten gedurende de Bersiap-periode, verergerd door de gevangenschap van zijn vader in de oorlogsjaren en diens overlijden in
  8. De Raad stelt, overeenkomstig zijn vaste rechtspraak hierover, evenwel voorop dat algemene oorlogsomstandigheden - waaraan in meerdere of mindere mate eenieder heeft blootgestaan - niet zijn aan te merken als direct tegen de aanvrager gerichte handelingen of maatregelen in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wubo. Ook de gevangenschap van de vader van appellant en diens latere overlijden is - hoe ingrijpend ook voor het gezin - op zichzelf niet aan te merken als tegen appellant persoonlijk gericht oorlogsgeweld in de zin van de Wubo. Dit geldt evenzeer voor de besnijdenis die appellant naar zijn mededeling onder de druk van de bedreigende situatie tijdens zijn verblijf bij een moslim-gezin heeft ondergaan. 2.
  9. Appellant heeft in het bijzonder nog aangevoerd dat hij tijdens de oorlogsjaren enige tijd alleen in een kamp heeft verbleven, en dat het gezin in de na-oorlogse periode ternauwernood is ontsnapt aan een aanval door de extremisten en onder bedreigende omstandigheden heeft moeten vluchten, waarna appellant enige tijd is ondergebracht in een moslim-gezin. Ook tijdens dat verblijf is appellant met bloedig geweld in de naaste omgeving geconfronteerd geweest. Bij het door verweerster daarover ingestelde, zorgvuldig te noemen onderzoek, waarbij historische bronnen en gegevens van bij verweerster bekende familieleden zijn geraadpleegd en waarbij ook ingediende getuigenverklaringen van een voormalige buurvrouw en een halfzuster van appellant zijn betrokken, is echter geen bevestiging of ondersteuning van enige onder de Wubo te brengen calamiteit gevonden.
  10. Uit het voorgaande volgt dat de door appellant genoemde omstandigheden niet tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer kunnen leiden. Voor vernietiging van het bestreden besluit bestaat dan ook geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden. De Raad merkt nog op dat hiermee niet is miskend dat appellant tijdens de oorlogsjaren en de Bersiap-periode angstige omstandigheden heeft ervaren. De erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo is echter gebonden aan de in die wet omschreven specifieke gebeurtenissen.
  11. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april
  12. (get.) A. Beuker-Tilstra. (get.) M. Lammerse. HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.