← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BM3682

09/485 WUBO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], Nieuw Zeeland (hierna: appellante), en de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster) Datum uitspraak: 29 april 2010 I. PROCESVERLOOP Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 23 december 2008, kenmerk BZ 8722, JZ/I/70/2008, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: Wubo), verder: bestreden besluit. Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart

  1. Appellante is niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. OVERWEGINGEN
  2. Naar aanleiding van een (tweede) aanvraag van appellante in januari 2008 heeft verweerster bij besluit van 29 augustus 2008 erkend dat appellante oorlogsgeweld in de zin van de Wubo heeft ondergaan en zijn aan haar met ingang van 1 mei 2008 de toeslag op grond van artikel 19 van de Wubo en verschillende voorzieningen toegekend. Aanvaard is dat de psychische klachten van appellante in verband staan met het oorlogsgeweld en dat deze hebben geleid tot blijvende invaliditeit. Appellantes nek-, rug- en maagklachten, darm-carcinoom, huidklachten en visusklachten achtte verweerster niet in verband staan met het oorlogsgeweld. Aan appellante is geen periodieke uitkering toegekend omdat verweerster van oordeel was dat de werkbeëindigingen van appellante in 1958, 1961, 1977 en na 1990 geen verband hielden met haar psychische oorlogsinvaliditeit. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij het in dit geding bestreden besluit.
  3. In beroep heeft appellante naar voren gebracht dat haar rugklachten wel een gevolg zijn van de internering tijdens de oorlog en dat zij haar werkzaamheden in 1958 en 1961 heeft moeten beëindigen vanwege die rugklachten. Haar latere werkzaamheden heeft zij in 1977 en na 1990 moeten staken door zenuw- en wervelklachten. Op die grond stelt zij aanspraak te hebben op een periodieke uitkering.
  4. Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
  5. De Raad overweegt als volgt. 4.
  6. Tussen partijen is in de eerste plaats in geschil of de rugklachten van appellante zijn veroorzaakt door het door haar ondergane oorlogsgeweld, namelijk internering tijdens de Bersiap-periode. De Raad acht voor het standpunt van appellante onvoldoende medische onderbouwing aanwezig. Er zijn geen medische gegevens van vóór 1997 en ook geen gegevens van een latere datum die het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende standpunt, inhoudende dat sprake is van een degeneratieve aandoening, weerleggen. De Raad acht dit standpunt op basis van de adviezen van de geneeskundig adviseurs en artsen A.J. Maas en P. Windels voldoende onderbouwd. 4.
  7. Nu verder niet is gebleken (en ook niet door appellante wordt gesteld) dat appellante haar werkzaamheden heeft moeten beëindigen vanwege haar psychische klachten als gevolg van het oorlogsgeweld, heeft zij op grond van artikel 7 van de Wubo geen aanspraak op een periodieke uitkering. 4.
  8. Gezien het vorenstaande dient het beroep van appellante ongegrond te worden verklaard.
  9. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april
  10. (get.) A. Beuker-Tilstra. (get.) M. Lammerse. HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.