08/5070 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 14 juli 2008, 07/4775 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het Bestuur van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: bestuur) Datum uitspraak: 22 april 2010 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart
- Appellant is niet verschenen. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.L.S. van Cruijningen, advocaat te ’s-Hertogenbosch. II. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant is bij aangetekende brief van 22 januari 2010 uitgenodigd om op 11 maart 2010 ter zitting van de Raad te verschijnen. Appellant heeft bij brief, bij de Raad ingekomen op 4 maart 2010, verzocht om uitstel van de behandeling ter zitting. Appellant acht zich wegens een langdurig ziektegeval onvoldoende hersteld om ter zitting een toelichting op zijn beroepschrift te kunnen geven. 1.
- Artikel 16, tweede lid, van de Procesregeling bestuursrechterlijke colleges 2006 (hierna: Procesregeling) bepaalt dat een verzoek om uitstel van de behandeling ter zitting moet worden gemotiveerd en zo spoedig mogelijk schriftelijk moet worden ingediend. Artikel 16, derde lid, van de Procesregeling bepaalt dat het verzoek slechts in uitzonderlijke omstandigheden wordt toegewezen. 1.
- De Raad ziet in de onderbouwing van het verzoek van appellant geen uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 16, derde lid, van de Procesregeling. Appellant heeft geen medische verklaring overgelegd ter onderbouwing van zijn verzoek. Gelet hierop en gezien het tijdstip waarop het verzoek is gedaan heeft de Raad dan ook geen aanleiding gezien het verzoek van appellant toe te wijzen. Bij zijn beslissing heeft de Raad tevens laten meewegen dat appellant niet is opgeroepen om ter zitting te verschijnen, dat het standpunt van appellant uit de gedingstukken genoegzaam naar voren komt en dat de Raad zich op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting voldoende voorgelicht acht om tot een verantwoord oordeel te komen. 2.
- Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden. 2.
- Appellant was werkzaam als senior-secretaris en coördinerend secretaris bij de rekestensector van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Bij besluiten van 12 april 2007 zijn de beschrijvingen van deze functies opnieuw vastgesteld. De hiertegen gemaakte bezwaren zijn bij besluit van 27 september 2007 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.
- De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
- Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de beschrijvingen van de door hem vervulde functies niet overeenkomen met de door hem daadwerkelijk uitgevoerde - door het bevoegd gezag opgedragen - werkzaamheden. Volgens appellant wordt met name miskend dat hij als senior-secretaris in de praktijk niet, althans nauwelijks wordt aangestuurd door de kamervoorzitter. Appellant heeft verder naar voren gebracht dat hij evenveel zogenoemde categorie III-zaken voor zijn rekening neemt als een juridisch medewerker, althans dat hij als senior-secretaris een substantieel aantal van deze zaken voor zijn rekening heeft genomen. Wat betreft de functie van coördinerend secretaris heeft appellant naar voren gebracht dat hij daarin een spilfunctie vervult binnen de sector. Het bestuur heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
- Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende. 5.
- De Raad stelt voorop dat het hier gaat om een organiek systeem van functiewaardering, waarin de zwaarte van organieke functies wordt gewogen in samenhang met de totale organisatieopbouw. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 30 juni 2005, LJN AT9173 en TAR 2006, 8 en CRvB 3 januari 2008, LJN BC1682) komt daarom bij het vaststellen van de organieke functiebeschrijvingen beleidsvrijheid toe aan het bestuur. Het gaat hier niet om de beschrijving van de feitelijk uitgevoerde werkzaamheden, maar om de door het bestuur aan de betrokken functionaris opgedragen werkzaamheden, gegeven de inrichting van de organisatie zoals die het bestuur voor ogen staat. Dit brengt mee dat de rechterlijke toetsing van de organieke functiebeschrijvingen met terug-houdendheid moet plaatsvinden. 5.
- De Raad heeft in hetgeen door appellant naar voren is gebracht, geen aanleiding gevonden om de bestreden functieprofielen in rechte onhoudbaar te achten. De grieven van appellant hebben in wezen betrekking op de beschrijving van de in beide functies door hem feitelijk uitgevoerde werkzaamheden. Deze grieven kunnen - in het licht van het onder 5.1 uiteengezette toetsingskader - geen doel treffen. Dat er wellicht feitelijk aan appellant meer ruimte werd gelaten, is een omstandigheid waaraan voor een organiek functieprofiel geen betekenis toekomt. 5.
- De Raad komt daarom tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
- Voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 april
- (get.) H.A.A.G. Vermeulen. (get.) P.W.J. Hospel. HD