09/1139 WIA Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 12 januari 2009, 08/339 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 7 mei 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. I. Ouwehand, werkzaam bij FNV Bondgenoten, Regiokantoor Rotterdam, hoger beroep ingesteld. Bij brief van 20 april 2009 is namens appellant een brief van 7 april 2009 van huisarts T. Manschot ingezonden. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 11 mei 2009 heeft het Uwv een nadere reactie aan de Raad doen toekomen. Daarbij was gevoegd een rapport van de bezwaarverzekeringsarts M. Keus van 24 april
- Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart
- Namens appellant is mr. Ouwehand, voornoemd, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.W.G. Determan. II. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant, laatstelijk werkzaam als tuinbouwmedewerker, is op 25 juli 2005 uitgevallen wegens een allergie voor paprika’s, astma, rug- en schouderklachten en psychische klachten. 1.
- Naar aanleiding van de uitkomsten van het medisch en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 8 juni 2007 vastgesteld dat appellant per 23 juli 2007 niet aanmerking komt voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat hij voor minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht in de zin van die wet. 1.
- Bij besluit op bezwaar van 6 december 2007 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 juni 2007 ongegrond verklaard. 1.
- In reactie op het door appellant ingestelde beroep tegen het besluit van 6 december 2007 heeft het Uwv op 28 juli 2008 een nieuw besluit op bezwaar, hierna: het bestreden besluit, genomen. Daarbij heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 8 juni 2007 alsnog gegrond verklaard en bepaald dat appellant per 23 juli 2007 een WIA-uitkering wordt toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 6 december 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het beroep gericht tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard; een en ander met nadere beslissingen omtrent vergoeding aan appellant van wettelijke rente, griffierecht en proceskosten. De rechtbank heeft - kort samengevat - overwogen dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en dat het bestreden besluit op een voldoende medische grondslag berust. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat voldoende is gemotiveerd dat appellant op de in geding zijnde datum in staat moest worden geacht de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies te vervullen.
- In hoger beroep heeft appellant de in bezwaar en beroep aangevoerde grieven in essentie herhaald. Appellant heeft gesteld dat het door de verzekeringsarts verrichte medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest omdat door hem geen informatie is opgevraagd bij de huisarts en de fysiotherapeut. Voorts is appellant van mening dat er bij het opstellen van de FML in onvoldoende mate rekening is gehouden met zijn rug-, long- en psychische klachten. Verder heeft appellant - onder verwijzing naar informatie van de huisarts van 7 april 2009 - gesteld dat inmiddels is geconstateerd dat hij last heeft van een lekkende hartklep en dat het reëel is te veronderstellen dat hij daar op de datum in geding ook beperkingen van ondervond. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant een verklaring van zijn huisarts van 7 april 2009 overgelegd. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft appellant betoogd dat het Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd dat de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies voor hem passend zijn te achten. Ook heeft appellant gewezen op zijn onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal. Tot slot heeft appellant verzocht om toekenning van schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente. 4.
- Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de Raad geen aanleiding gezien om daarover een ander oordeel te geven dan de rechtbank. 4.1.
- Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de medische grondslag van het bestreden besluit berust op een voldoende zorgvuldig onderzoek. De verzekeringsarts heeft appellant lichamelijk en psychisch onderzocht, dossierstudie verricht en kennis genomen van de beschikbare medische gegevens van de huisarts en de fysiotherapeut. De bezwaarverzekeringsarts heeft in het kader van de heroverweging het dossier bestudeerd en kennis genomen van de door appellant in bezwaar ingebrachte gegevens van de fysiotherapeut en heeft voldoende gemotiveerd dat er, gelet op de reeds voorhanden informatie, geen indicatie was om met hem overleg te plegen of appellant nader te onderzoeken. 4.1.
- De Raad ziet evenals de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv de beperkingen van appellant heeft onderschat. In verband met de psychische klachten van appellant heeft de verzekeringsarts enkele beperkingen voor appellant opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 16 mei
- In verband met appellants lichamelijke klachten heeft hij beperkingen aangenomen ten aanzien van blootstelling aan huisstof en paprika alsmede rugbeperkingen. De bezwaarverzekeringsarts heeft vastgesteld dat de arbeidsmogelijkheden van appellant daarmee correct zijn weergegeven en hij heeft in de in de bezwaarfase overgelegde informatie geen reden gezien om meer of zwaardere beperkingen op te nemen. Ook de in overweging 3 genoemde in hoger beroep overgelegde informatie gaf de bezwaarverzekeringsarts daartoe geen aanleiding. In zijn rapport van 24 april 2009 stelt hij vast dat de lekkende hartklep - over aard en ernst waarvan te weinig informatie wordt gegeven - bijna twee jaar na de datum in geding is vastgesteld, er bij het opstellen van de FML reeds is uitgegaan van een verminderde fysieke belastbaarheid en er daarom geen aanleiding is te veronderstellen dat de belastbaarheid per einde wachttijd is onderschat. De Raad is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport voldoende overtuigend heeft gemotiveerd dat in de FML voldoende beperkingen zijn opgenomen. 4.
- Ook met de uitvoerige overwegingen en het oordeel van de rechtbank omtrent de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kan de Raad zich verenigen. Met betrekking tot de geschiktheid van de (mede) aan de schatting ten grondslag gelegde functie van huishoudelijk medewerker gebouwen (sbc-code 111334) voegt de Raad daaraan nog het volgende toe. In deze functie is sprake van een zogenoemde M-signalering op het aspect 3.9.1, overige beperkingen van de fysieke aanpassingsmogelijkheden. In zijn rapport van 26 september 2008 heeft de bezwaararbeidsdeskundige toegelicht dat de functie op dit aspect, na overleg met de bezwaarverzekeringsarts, akkoord is bevonden omdat de dermatoloog niet heeft bevestigd dat appellant allergisch is voor huisstof. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaararbeidsdeskundige hiermee de bij dit item opgekomen signalering voldoende toegelicht en is voldoende inzichtelijk en verifieerbaar aangetoond dat deze functie voor appellant, gelet op zijn medische beperkingen, geschikt is. Weliswaar is in de FML van 16 mei 2007 vastgelegd dat appellant een beperking heeft op het item fysieke aanpassingsmogelijkheden in verband met allergie en is daarbij toegelicht huisstof, maar evenals het Uwv ter zitting heeft betoogd, is de Raad tot de slotsom gekomen dat zulks op een vergissing berust nu een dergelijke beperking geen grondslag vindt in de beschikbare medische informatie. Ten slotte kan de Raad, mede gezien de werkervaring van appellant en de vanaf 2003 genoten taalles, instemmen met het oordeel van de rechtbank over de taalvereisten in de geduide functies. 4.
- Wat betreft het in hoger beroep herhaalde verzoek tot vergoeding van wettelijke rente, welke vergoeding overigens al bij de aangevallen uitspraak was toegekend, heeft het Uwv ter zitting - onweersproken - verklaard dat appellant over het in geding zijn tijdvak een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand heeft genoten en dat de nabetaling van de WIA-uitkering inmiddels is verrekend met die uitkering, zodat appellant steeds tijdig heeft kunnen beschikken over een uitkering krachtens een sociale zekerheidswet en daarom van betaling van wettelijk rente geen sprake kan zijn. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad (zie de uitspraak van 1 november 1995, LJN ZB1495) is thans in feite niet meer sprake van een situatie dat appellant nog schade lijdt ten gevolge van een vertraagde betaling van de hem toekomende uitkering, waarvoor de wettelijke rente de vergoeding vormt.
- De Raad komt dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, namelijk betreffende de ongegrond verklaring van het beroep tegen het bestreden besluit, dient te worden bevestigd.
- De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei
- get.) J.W. Schuttel. get.) M. Mostert. GdJ