09/3380 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (Turkije), (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 maart 2009, 08/3621 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 26 mei 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellante is hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en bij brief van 11 maart 2010 het verweer aangevuld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april
- Namens appellante is mr. B.M. Voogt, advocaat te Rotterdam, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.J.M.A. Clerx. II. OVERWEGINGEN
- Aan appellante is in 1981 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is door het Uwv per 7 februari 2002 ingetrokken op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op die datum minder dan 15% bedraagt. Deze intrekking is in rechte onaantastbaar geworden. 2.
- Appellante heeft zich op 31 maart 2004 tot het Turkse uitvoeringsorgaan Sosyal Sigortalar Kurumu gewend en op 30 april 2004 tot het Uwv wegens toegenomen klachten over haar gezondheid. Op verzoek van het Uwv is op 31 mei 2005 een medisch rapport (formulier TH 213) uitgebracht door dr. N.M. Kucukosmanoglu, aan welk rapport onderzoeken door een psychiater, een revalidatiearts, een internist en een neuroloog ten grondslag lagen. Bij dit rapport was gevoegd een weergave van de functionele mogelijkheden en beperkingen van appellante (formulier TH 214). Een verzekeringsarts heeft de voorhanden zijnde medische gegevens bestudeerd en geconcludeerd dat er geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Bij besluit van 9 januari 2006 heeft het Uwv geweigerd om met toepassing van artikel 43a van de WAO aan appellante een WAO-uitkering toe te kennen. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt. In het kader van het bezwaar heeft bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek in haar rapport van 11 juli 2006 geconcludeerd dat er medisch gezien geen reden is om van de conclusies van de primaire verzekeringsarts af te wijken. Bij besluit van 17 juli 2006 heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. 2.
- Bij uitspraak van 29 januari 2008 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit van 17 juli 2006 vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van die uitspraak. Zij heeft daartoe - kort weergegeven - overwogen dat het betoog van appellante dat haar psychische beperkingen in vergelijking met de situatie in 2001 zijn toegenomen niet kan slagen. Naar het oordeel van de rechtbank is naar behoren en consistent gemotiveerd dat er over het geheel genomen geen sprake is van een evidente verslechtering van de algemene psychische klachten en conditie van appellante ten opzichte van de situatie in
- Ten aanzien van de lichamelijke klachten is evenwel naar het oordeel van de rechtbank niet dan wel onvoldoende komen vast te staan dat er geen toegenomen beperkingen zijn, zodat het besluit van 17 juli 2006 moet worden vernietigd wegens strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2.
- Het Uwv heeft ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 29 januari 2008 appellante uitgenodigd naar Nederland te komen voor onderzoek. Vervolgens is appellante in Nederland in november 2008 onderzocht door een orthopeed, een psychiater, een internist en een neuroloog. Op basis van de bevindingen en conclusies van die artsen heeft bezwaarverzekeringsarts Koek, blijkens haar rapport van 29 december 2008, geconcludeerd dat er geen concrete aanwijzingen zijn voor een wezenlijke verslechtering van het ziektebeeld en daardoor voor toegenomen beperkingen sinds
- Het Uwv heeft hierop bij besluit van 6 januari 2009 het bezwaar van appellante wederom ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het beroep van appellante tegen het besluit van 6 januari 2009 ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat in het geding uitsluitend aan de orde is de vraag of van een toename van de lichamelijke beperkingen van appellante sprake is, nu het betoog van appellante dat de psychische beperkingen (ook) zijn toegenomen reeds eerder - in haar uitspraak van 29 januari 2008 - uitdrukkelijk is verworpen. Op grond van de voorhanden zijnde medische gegevens heeft de rechtbank vervolgens overwogen dat het medisch oordeel dat ten grondslag is gelegd aan het besluit van 6 januari 2009 zorgvuldig en volledig is geweest en dat zij geen aanknopingspunten heeft voor het oordeel dat van toegenomen lichamelijke beperkingen sprake is. Tot slot heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om een schadevergoeding toe te kennen wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) omdat, nu vanaf de ontvangst van het bezwaar tot de datum van de uitspraak drie jaar en twee maanden zijn verstreken, nog geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.
- Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit. 4.
- Het betoog van appellante dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over de toename van de psychische beperkingen kan niet slagen. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat, nu de gronden van appellante met betrekking tot de ten aanzien van haar bij het bestreden besluit aangenomen psychische beperkingen reeds door de rechtbank in haar uitspraak van 29 januari 2008 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, deze gronden niet opnieuw voor een inhoudelijke beoordeling door de rechtbank, dan wel de Raad in aanmerking kunnen komen. De Raad ziet geen grond om in het voorliggende geval van deze in vaste rechtspraak neergelegde lijn (bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 13 januari 2009, LJN BH0865) af te wijken. De omstandigheid dat het Uwv, ter voorbereiding van het besluit van 6 januari 2009, onverplicht ook nog onderzoek door een psychiater heeft laten verrichten en bezwaarverzekeringsarts Koek de psychische gesteldheid van appellante mede in haar rapport heeft betrokken, maakt dit niet anders. 4.
- Met betrekking tot de bij het besluit van 6 januari 2009 ten aanzien van appellante aangenomen lichamelijke beperkingen is de Raad met de rechtbank van oordeel dat er geen grond is om het aan dat besluit ten grondslag gelegde medisch onderzoek onzorgvuldig te achten of om de bij dat besluit aangenomen lichamelijke beperkingen onjuist te achten. De Raad ziet in de rapporten van bezwaarverzekeringsarts Koek van 29 december 2008 en 11 februari 2009 een genoegzame en draagkrachtige onderbouwing van het door het Uwv ingenomen standpunt dat van een toename van arbeidsongeschiktheid geen sprake was. De omstandigheid dat door het Uwv is gekeken naar de gezondheidstoestand van appellante sinds 2002 maakt niet dat, zoals door appellante is betoogd, het besluit in rechte geen stand kan houden op de grond dat appellante zich (pas) in 2004 heeft gewend tot het Uwv wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid sinds maart of april
- Uit de medische stukken komt uitdrukkelijk naar voren dat het Uwv bij het bestreden besluit ook de periode vanaf die melding in ogenschouw heeft genomen en die stukken bieden voorts genoegzaam steun voor de opvatting van het Uwv dat ook vanaf die melding tot het nemen van het besluit van 6 januari 2009 geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid. 4.3.
- De in hoger beroep aangevoerde grond dat de rechtbank ten onrechte het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, heeft afgewezen, treft wel doel. De Raad overweegt daartoe als volgt. 4.3.
- De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellante gedurende de gehele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellante, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt. 4.3.
- Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. In de uitspraak van 26 januari 2009 heeft de Raad verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De in 4.3.2 vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. 4.3.
- Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 30 juni 2009 (LJN BJ2790) is de Raad van oordeel dat in een geval waarin in beroep bij de rechtbank is aangevoerd dat de redelijke termijn is overschreden, de rechtbank daarover een oordeel dient te geven, uitgaande van de onder 4.3.3 genoemde behandelingsduren voor bezwaar en beroep. Uit de daar genoemde uitspraak van 26 januari 2009 volgt dat de nog als redelijk aan te merken termijn voor de procedure als geheel na bezwaar en beroep in beginsel twee jaar bedraagt. 4.3.
- Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 15 april 2009 (LJN BI2044) is de Raad van oordeel dat in een geval als dit, waarin een vernietiging door de rechtbank van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en een herhaalde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, komt de periode waarmee de behandelingsduur is overschreden niet voor rekening van het bestuursorgaan maar voor rekening van de Staat (het ministerie van Justitie). 4.3.
- De Raad overweegt verder dat in een geval als dit, waarin een vernietiging door de rechtbank van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en een herhaalde behandeling door de rechtbank, en waarin tijdens die tweede rechtbankprocedure een verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn is gedaan, de rechtbank moet uitgaan van een redelijke termijn van twee jaar voor de procedure als geheel. Indien tegen de - tweede - uitspraak van de rechtbank hoger beroep wordt ingesteld, moet de Raad daarvan uitgaande beoordelen of de rechtbank terzake een juiste beslissing heeft gegeven. Vervolgens zal de Raad, nu in hoger beroep wederom is betoogd dat de redelijke termijn is overschreden, de overschrijding van de redelijke termijn ten tijde van zijn eigen uitspraak moeten beoordelen. Daarbij geldt dat indien sedert de uitspraak van de rechtbank niet meer dan twee jaar zijn verstreken, deze beoordeling hoe dan ook niet tot een ander resultaat kan leiden, zodat aanvullende schadevergoeding ten laste van de Staat dan niet aan de orde is. 4.3.
- Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst op 20 februari 2006 van het bezwaarschrift van appellante tot de datum van de - tweede - uitspraak van de rechtbank, te weten 31 maart 2009, zijn drie jaar en ruim één maand verstreken. De rechtbank heeft, zowel wat de eerste rechtbankprocedure als de tweede rechtbankprocedure betreft, niet de haar toekomende behandelingsduur van anderhalf jaar overschreden. De overschrijding komt derhalve in haar geheel voor rekening van het Uwv. De Raad ziet in de feiten en omstandigheden van dit geval geen aanleiding de redelijke termijn voor de procedure van bezwaar en beroep te stellen op een andere termijn dan twee jaar. Dit betekent dat de rechtbank bij haar uitspraak van 31 maart 2009 had dienen te oordelen dat de redelijke termijn met één jaar en ruim één maand is overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van drie maal € 500,-, dat is € 1.500,-, waarbij de Raad in aanmerking neemt dat niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is geweest van spanning en frustratie die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. 4.3.
- De Raad stelt ten slotte vast dat de behandeling van het geding in hoger beroep minder dan twee jaar heeft geduurd. 4.3.
- Uit het voorgaande vloeit voort dat de Raad - met vernietiging van de aangevallen uitspraak - het beroep gegrond zal verklaren, het besluit van 6 januari 2009 zal vernietigen, de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand zal laten en het Uwv zal veroordelen tot een schadevergoeding van € 1.500,-.
- De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appelante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 6 januari 2009; Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven; Veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellante van een schadevergoeding ten bedrage van € 1.500,-; Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen aan de griffier van de Raad; Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 148,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en T. Hoogenboom en M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 mei
- (get.) H. Bolt. (get.) T.J. van der Torn. KR