08/1384 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 25 januari 2008, 07/2496 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem (hierna: College) Datum uitspraak: 11 mei 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M.K. Rack, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart
- Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door W.C.M. Hermans, werkzaam bij de gemeente Arnhem. II. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Appellante ontvangt bijstand sinds 8 januari 2002, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand. 1.
- Bij het College is een anonieme melding ontvangen dat appellante zwart zou werken en dat zij van het aldus verdiende geld 4 tot 5 keer per jaar naar de Dominicaanse Republiek zou reizen. Zij zou twee paspoorten hebben: het Nederlandse zou zij gebruiken voor de uitreis uit Nederland, het andere voor de inreis in de Dominicaanse Republiek. Naar aanleiding van deze melding heeft de afdeling Bijzonder Onderzoek van de gemeente Arnhem een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In het kader hiervan is dossieronderzoek verricht, zijn registers geraadpleegd, zijn de bankafschriften van appellante en haar paspoort onderzocht, is bij appellante een huisbezoek afgelegd en is zij gehoord. Daarbij is onder meer vastgesteld dat in de periode van 27 december 2005 tot en met 18 januari 2006 afschrijvingen zijn gedaan van de bankrekening van appellante voor betalingen in de Dominicaanse Republiek. In het paspoort van appellante is een inreisstempel aangetroffen, gedateerd 11 november 2005, en een uitreisstempel van 18 januari
- Tijdens het gehoor heeft appellante onder meer verklaard dat zij in december 2005 naar de Dominicaanse Republiek is gegaan. 1.
- Bij besluit 17 november 2006 heeft het College - voor zover hier van belang - de bijstand van appellante herzien (lees: ingetrokken) over de periode 9 december 2005 tot en met 31 december 2005 op de grond dat appellante langer de toegestane vier weken in het buitenland had verbleven. 1.
- Bij besluit van 14 mei 2007 heeft het College - voor zover hier van belang - het bezwaar tegen het besluit van 17 november 2006 ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - het beroep tegen het besluit van 14 mei 2007 ongegrond verklaard.
- Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft daarbij onder verwijzing naar de reeds in beroep overgelegde kopie van een zogeheten trip summary herhaald dat zij niet op 11 november, maar op 11 december 2005 de Dominicaanse Republiek is ingereisd en dat de onjuiste datum in het stempel in haar paspoort een gevolg is van een menselijke fout.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Niet in geschil is dat appellante haar verblijf in de Dominicaanse Republiek eind 2005 niet aan het College gemeld heeft en dat zij aldus de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Tussen partijen is uitsluitend in geschil de inreisdatum in de Dominicaanse Republiek en daarmee of het College bevoegd was de bijstand over de periode in geding in te trekken. 4.
- Naar vaste rechtspraak van de Raad levert schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene feiten te stellen en zonodig te bewijzen dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond. 4.
- Appellante stelt dat zij eerst op 11 december 2005 de Dominicaanse Republiek is ingereisd en dat zij aldus in 2005 niet langer dan de toegestane vier weken in het buitenland heeft verbleven. 4.
- Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat een inreisstempel in een paspoort, geplaatst door de grensautoriteiten van een land, de vooronderstelling rechtvaardigt dat de houder van dat paspoort op die datum dat land is ingereisd. Het is dan aan houder van dat paspoort, hier aan appellante, om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. 4.
- De door appellante overgelegde trip summary stelt het volgende voorop: “This is a receipt only - not a valid travel document.” Voorts vermeldt het de naam van appellante, een nummer van een elektronisch ticket, het reserveringsnummer en de datum waarop het is afgegeven, in dit geval 8 december 2005 . De reisroute, de data en tijdstippen staan op dit document. Die sporen met de gestelde inreis op 11 december 2005 en de vaststaande uitreis op 18 januari
- De prijs is ook weergegeven, als mede dat in dit geval contant is betaald. Een paspoortnummer vermeldt dit document niet. 4.
- Naar het oordeel van de Raad is appellante met enkel dit document er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat zij niet op 11 november 2005, maar eerst op 11 december 2005 de Dominicaanse Republiek is ingereisd. Uit de overgelegde trip summary kan wel volgen dat op 8 december 2005 een ticket is gekocht voor een reis, die overeenkomt met de stellingen van appellante, maar niet dat appellante de heenreis op 11 november 2005 niet heeft gemaakt. De Raad tekent daarbij aan dat appellante ook niet op andere wijze aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de periode van 11 november 2005 tot 11 december 2005 nog in Nederland heeft verbleven. 4.
- Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt - voor zover aangevochten - voor bevestiging in aanmerking.
- De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.F. Bandringa en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 mei
- (get.) N.J. van Vulpen-Grootjans. (get.) R.B.E. van Nimwegen. IJ