← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BM6333

08/5899 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 28 augustus 2008, 08/1347 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 28 mei 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. P.L. Wilke, werkzaam bij CNV Hout en Bouw, Juridische Dienst, kantoor Apeldoorn, hoger beroep ingesteld. Bij schrijven van 8 december 2008 heeft mr. G.D. van der Heiden, werkzaam bij CNV Hout en Bouw, Juridische Dienst, kantoor Breda, zich als opvolgend gemachtigde van appellant gesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Op verzoek van de Raad heeft het Uwv ontbrekende stukken ingezonden. Namens appellant zijn de gronden van het hoger beroep nader aangevuld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april

  1. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Evenmin is zijn gemachtigde verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M. Diekema. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellant is werkzaam geweest als timmerman. Na uitval wegens gewrichtsklachten, is hij met ingang van 1 maart 1999 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is sedertdien enkele malen herzien. Vanaf 14 februari 2006 werd zijn WAO-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. 1.
  3. In 2007 is op verzoek van appellant een herbeoordeling verricht. In een rapport van 4 januari 2007 heeft verzekeringsarts J.T.M. Schneijdenberg aangegeven dat appellant, bij wie morbus Bechterew is gediagnosticeerd, naar zijn mening in staat kan worden geacht tot het verrichten van duidelijk rugsparend werk. Na kennisname van informatie van de appellant behandelende reumatoloog dr. E.J. ter Borg, heeft Schneijdenberg - na collegiaal overleg met bezwaarverzekeringsarts S. Gommers - zijn conclusies gehandhaafd. Van toegenomen beperkingen was volgens hem geen sprake. In het bijzonder werd geen reden gezien om Ter Borg te volgen in de opvatting dat voor appellant een urenbeperking - door Ter Borg gesteld op 50% - heeft te gelden. 1.
  4. De arbeidsdeskundige heeft op basis van de door de verzekeringsarts opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst functies voor appellant geselecteerd die appellant zijns inziens nog zou moeten kunnen vervullen, en vastgesteld dat de daaraan te ontlenen verdiencapaciteit leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 68,2%. 2.
  5. Bij besluit van 9 augustus 2007 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 16 december 2007 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. 2.
  6. In bezwaar tegen dit besluit heeft appellant naar voren gebracht dat hij door toegenomen klachten als gevolg van de morbus Bechterew nog meer beperkt is in zijn functioneren dan voorheen en dat hij zich met name niet in staat voelt tot het verrichten van arbeid in een omvang van 8 uur per dag en 40 uur per week. 2.
  7. Bezwaarverzekeringsarts M. Carere heeft, na het inwinnen van nadere informatie bij de behandelende sector, geen aanknopingspunten gevonden om appellant verdergaand beperkt te achten dan Schneijdenberg. Op 10 januari 2008 heeft Carere gerapporteerd evenzeer van mening te zijn dat er geen indicatie bestaat voor een medische urenbeperking. 2.
  8. Bij besluit van 16 januari 2008 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. 3.
  9. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. 3.
  10. De rechtbank heeft daartoe in de eerste plaats overwogen geen aanknopingspunten aanwezig te achten voor het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek op ondeskundige of onzorgvuldige wijze is verricht of dat daaraan anderszins gebreken kleven. 3.
  11. Voorts heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met het verzekeringsgeneeskundige oordeel. Volgens de rechtbank is voldoende door de verzekeringsartsen uiteengezet dat ten tijde van belang van toegenomen beperkingen bij appellant geen sprake is. 3.
  12. In het bijzonder heeft de rechtbank appellant niet kunnen volgen in diens stelling dat een urenbeperking van 50% in acht had dienen te worden genomen. Redengevend hierbij is volgens de rechtbank dat uit de brief van Ter Borg van 15 februari 2007 blijkt dat deze tot zijn standpunt is gekomen omdat appellant wekelijks veel tijd kwijt is met het volgen van fysiotherapie, reumazwemmen en deelname aan een oefengroep Bechterew. Ten aanzien van die activiteiten is door het Uwv gesteld dat deze geen medische basis voor een urenbeperking vormen. Voorts kan een deel van die activiteiten in eigen tijd worden verricht. 3.
  13. Daarnaast heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat er geen objectiveerbare afwijkingen zijn voor energetische beperkingen die maken dat een urenbeperking aan de orde is. Ook zijn er geen aanwijzingen voor grote energetische beperkingen die niet middels de kwalitatieve beperkingen kunnen worden verdisconteerd. Ook het preventieve aspect is voldoende meegenomen in de kwalitatieve beperkingen. 3.
  14. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank de conclusie van het Uwv dat er geen reden is voor een medische urenbeperking gebaseerd op voldoende onderzoek en afdoende gemotiveerd. 3.
  15. Ten slotte heeft de rechtbank zich ook kunnen stellen achter de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. 4.
  16. De Raad overweegt in de eerste plaats dat, gelet op hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, in het onderhavige geding uitsluitend (nog) aan de orde is de vraag of het Uwv terecht het standpunt heeft ingenomen dat voor appellant geen medische urenbeperking is geïndiceerd. 4.
  17. Met betrekking tot dit punt is namens appellant in het bijzonder gesteld dat de rechtbank, in navolging van de verzekeringsartsen van het Uwv, ten onrechte ervan is uitgegaan dat de onderbouwing van de opvatting van Ter Borg inzake de urenbeperking zou zijn gelegen in de omstandigheid dat appellant wekelijks veel tijd kwijt is met diverse activiteiten in het kader van zijn behandeling. Volgens appellant is dat een onjuiste interpretatie. 4.
  18. Deze grief kan niet leiden tot het door appellant voorgestane gevolg. Voor zover met de rechtbank en de verzekeringsartsen van het Uwv zou moeten worden aangenomen dat Ter Borg zich bij diens opvatting inzake een voor appellant van toepassing te achten urenbeperking inderdaad, geheel of deels, heeft laten leiden door meergenoemde activiteiten van appellant - waartoe de brief van Ter Borg van 15 februari 2007, naar het ook de Raad wil voorkomen, minst genomen een aanwijzing vormt - heeft de rechtbank naar het oordeel van de Raad terecht overwogen dat die activiteiten, waarvan niet valt in te zien dat die niet ten minste ten dele in de eigen tijd zouden kunnen worden verricht, geen genoegzame objectief-medische basis vormen voor de bepleite urenbeperking. 4.
  19. Daarnaast heeft de rechtbank eveneens met juistheid geoordeeld - de Raad verwijst in dit verband met name naar het in rechtsoverweging 2.3 vermelde rapport van Carere van 10 januari 2008 - dat door de verzekeringsartsen van het Uwv genoegzaam is uiteengezet dat en waarom, ook geabstraheerd van meergenoemde activiteiten van appellant, diens aandoening geen objectief-medische noodzaak met zich brengt om naast de door die artsen reeds van toepassing geachte kwalitatieve beperkingen ook nog een urenbeperking van toepassing te achten. 4.
  20. In het overwogene onder 4.1 tot en met 4.4 ligt besloten dat (ook) de Raad geen aanleiding ziet om, als wederom door appellant verzocht, een onafhankelijke medisch deskundige te raadplegen. 4.
  21. Uit het overwogene onder 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep van appellant geen doel treft, in verband waarmee de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
  22. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei
  23. (get.) J.W. Schuttel. (get.) D.E.P.M. Bary. IvR

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.