09/1722 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 6 februari 2009, 08/6062 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 2 juni 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant is hoger beroep ingesteld door mr. R.G. van den Heuvel, advocaat te Gouda. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april
- Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Heuvel. Het Uwv was vertegenwoordigd door C. van Nood. II. OVERWEGINGEN
- Appellant is eind 1992 voor zijn voltijdse werk als emballagemedewerker uitgevallen met maag- en rugklachten. In aansluiting op het einde van de wachttijd is hem een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Per 11 september 2006 is deze uitkering in het kader van een beoordeling op basis van het Aangepaste Schattingsbesluit (aSB) in rechte onaantastbaar herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
- In het kader van de ambtshalve herbeoordeling op basis van het Oude Schattingsbesluit heeft het Uwv – beslissend op bezwaar – bij besluit van 15 juli 2008 (bestreden besluit) de WAO-uitkering van appellant per 22 februari 2007 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten en te twijfelen aan de juistheid van hun medische oordeel alsook geoordeeld dat het Uwv de door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies op goede gronden heeft gebruikt voor de schatting.
- Appellant heeft in hoger beroep – samengevat – aangevoerd dat de belastbaarheid per 22 februari 2007 niet zorgvuldig genoeg is onderzocht, mede gelet op het grote verschil in uitkomst met de eerder uitgevoerde aSB-beoordeling. 5.
- De Raad overweegt als volgt. 5.
- De Raad ziet evenals de rechtbank geen aanleiding het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig en hun medische oordeel niet juist te achten. De Raad onderschrijft de door de rechtbank gegeven overwegingen en volstaat met verwijzing daarnaar. De Raad voegt daar in dit verband nog aan toe de expertise van de neuroloog Geerlings (als deskundige van de rechtbank) van 27 februari 1995 als gedateerd aan te merken en als zodanig voor de onderhavige beoordeling (per een datum ruim 13 jaar later dan toen) niet relevant te achten. Appellant heeft voorts in hoger beroep geen (nieuwe) medische informatie overgelegd op grond waarvan getwijfeld zou moeten worden aan de juistheid van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts. Dat appellant in de bezwaarfase niet is gezien en onderzocht door de bezwaarverzekeringsarts is aan hemzelf te wijten, daar hij te kennen heeft gegeven af te zien van een hoorzitting, geen gebruik heeft gemaakt van de uitnodiging om op het spreekuur van de bezwaarverzekeringsarts te verschijnen en – na in verband daarmee telefonisch te zijn benaderd – heeft aangegeven een nieuw medisch onderzoek niet zinvol te achten. Niet is in te zien dat de bezwaarverzekeringsarts hem desondanks opnieuw had behoren uit te nodigen voor een spreekurencontact. 5.
- De Raad is verder van oordeel dat appellant met zijn beperkingen medisch gezien in staat geacht moet worden de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen. De Raad acht in dit verband de bij de geselecteerde functies voorkomende signaleringen (ten teken van mogelijke overschrijding van de belastbaarheid) in de rapportages van de (bezwaar)arbeidsdeskundige van 5 december 2007 en 7 juli 2008 afdoende toegelicht. 5.
- Overigens wijst de Raad erop dat de herziening per 22 februari 2007 het gevolg van een arbeidskundige beoordeling is geweest, te weten hantering door de primaire arbeidsdeskundige van een reductiefactor van 0,32 (76,26%) en hantering door de bezwaararbeidsdeskundige van een reductiefactor van 0,39 (75,2%) in plaats van voordien 1,
- Gelet op het vorenstaande faalt het hoger beroep. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni
- (get.) G.J.H. Doornewaard. (get.) T.J. van der Torn. JL