← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BM6785

10/2540 AW-VV Centrale Raad van Beroep Voorzieningenrechter U I T S P R A A K als bedoeld in de artikelen 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van: de Korpsbeheerder van de politieregio Utrecht (hierna: verzoeker), in verband met het hoger beroep van: verzoeker tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 15 februari 2010, 09/72 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen : [Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene) en verzoeker Datum uitspraak: 3 juni 2010 I. PROCESVERLOOP Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan. Met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de behandeling van dit verzoek op een zitting achterwege gebleven. II. OVERWEGINGEN

  1. Bij de aangevallen uitspraak is, voor zover hier van belang, aan verzoeker opgedragen binnen zes weken een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Die zal, volgens verzoeker, slechts kunnen inhouden dat aan betrokkene, aspirant politiemedewerker, vanaf 6 april 2007 alsnog een toelage wordt toegekend op basis van eerdere werkervaring.
  2. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter gevraagd de aangevallen uitspraak te schorsen totdat op het hoger beroep is beslist. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij de uitleg van de rechtbank van het beleid van de politie Utrecht voor onjuist houdt en zich hiermee niet kan verenigen.
  3. De voorzieningenrechter kan ingevolge artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
  4. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker de vraag - onder verwijzing naar de uitspraak van 26 november 2009, LJN BK6850 - om nader aan te geven waarin de onverwijlde spoed tot het treffen van een voorlopige voorziening in dit geval is gelegen, niet (per ommegaande) heeft beantwoord.
  5. Zoals onder 3.2 van de genoemde uitspraak is overwogen, vormt de enkele omstandigheid dat de aangevallen uitspraak naar de mening van verzoeker niet in stand zal kunnen blijven, op zichzelf niet een voldoende grondslag voor het oordeel dat een spoedeisend belang het treffen van een voorlopige voorziening vordert. Van een in die uitspraak bedoeld zwaarwegend belang is de voorzieningenrechter hier niet gebleken. Dat kan de voorzieningenrechter ook niet zien in de met de uitvoering van de aangevallen uitspraak voor verzoekers organisatie gemoeide (financiële) problemen of risico’s.
  6. De conclusie kan dus geen andere zijn dan dat geen sprake is van onverwijlde spoed die het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zal daarom worden afgewezen.
  7. De voorzieningenrechter stelt tot slot vast dat geen sprake is van proceskosten aan de kant van betrokkene die met toepassing van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen. III. BESLISSING De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juni
  8. (get.) H.A.A.G. Vermeulen. (get.) P.W.J. Hospel. RW

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.