09/5848 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 1 oktober 2009, 08/1898 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 7 juni 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellante is hoger beroep ingesteld door mr. J.G. Burgers, advocaat te Alkmaar. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april
- Voor appellante is verschenen mr. Burgers. Het Uwv was niet vertegenwoordigd. II. OVERWEGINGEN
- Bij besluit van 6 november 2007 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante per 12 december 2007 geen recht ontstaat op een WIA-uitkering vanwege een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.
- Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 28 mei 2008 ongegrond verklaard. 3.
- De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit op bezwaar van 28 mei 2008 gegrond verklaard, het besluit op bezwaar vernietigd, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op bezwaar in stand gelaten, het Uwv in de proceskosten veroordeeld en het Uwv gelast het griffierecht aan appellante te vergoeden. Daartoe heeft de rechtbank – samengevat en voor zover voor de beoordeling van het hoger beroep van belang – het volgende overwogen. 3.2.
- Er is geen aanleiding om aan te nemen dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek onzorgvuldig of onvolledig is geweest. Er is evenmin aanleiding om aan te nemen dat de medische beperkingen van appellante zijn onderschat. De verzekeringsartsen waren op de hoogte van de klachten van appellante. Bij het opstellen van de ‘Functionele Mogelijkheden Lijst’ (FML) is vanwege de rugklachten voortvloeiende uit degeneratieve afwijkingen aan de rug en een status na een hernia als uitgangspunt genomen dat er voldoende afwisseling van houding is vereist met overwegend dynamische belasting. Dat onvoldoende rekening is gehouden met haar fysieke klachten, heeft appellante niet aannemelijk gemaakt. Vanwege de psychische klachten van appellante is in de FML een beperking ten aanzien van een hoog handelingstempo aangenomen. Er is geen reden om te veronderstellen dat appellante in psychisch opzicht meer beperkt is. Appellante was rond de datum in geding niet onder behandeling voor psychische klachten en heeft tegenover de verzekeringsarts aangegeven alles weer op de rit te hebben. Volgens de bezwaarverzekeringsarts ontbreken aanwijzingen voor een psychische ziekte. Uit de door appellante overgelegde verklaring van de psycholoog J. Rijnders volgt dat appellante zich op 8 juli 2008 heeft aangemeld voor behandeling. Rijnders heeft aangegeven dat hij uitgaat van een ‘angst/paniekstoornis i.h.b. een posttraumatische stressstoornis met dissociatieve symptomen en sociaalfobische klachten’ en dat de door appellante gepresenteerde klachten al van voor december 2007 lijken te dateren. De rechtbank acht deze informatie onvoldoende om aan de bevindingen van de verzekeringsartsen te twijfelen. De rechtbank wijst er daarbij op dat het standpunt van de verzekeringsartsen wordt onderschreven door de brief van de gezondheidszorgpsycholoog J. Niezer van 12 januari
- Daarin is naar aanleiding van de behoefte van appellante aan psychosociale steun aangegeven dat de hulpvraag van appellante niet past bij een verwijzing naar een psycholoog of psychotherapeut en dat zij daarom is verwezen naar maatschappelijk werk. 3.2.
- Ten aanzien van de arbeidskundige kant van de zaak heeft de rechtbank geoordeeld dat de toelichting bij de signaleringen op het aspect probleem oplossen pas in beroep is gegeven. Het besluit op bezwaar wordt daarom vernietigd. Gelet op het feit dat alle signaleringen in beroep alsnog zijn voorzien van een deugdelijke motivering en de functies ook overigens geschikt zijn te achten voor appellante worden de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand gelaten.
- Het hoger beroep van appellante is gericht tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het besluit van 28 mei
- Appellante heeft daartoe – daarmee in essentie herhalende hetgeen zij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd – gesteld dat haar medische beperkingen op zowel het fysieke als het psychische vlak zijn onderschat en dat zij niet in staat is de geselecteerde functies te vervullen. Appellante heeft in hoger beroep in dat verband nog aangevoerd dat haar psychische klachten niet van de ene op de andere dag zijn ontstaan en op de datum in geding al in volle omvang aanwezig waren. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante in hoger beroep een brief van haar huisarts A.J.M. Groothuis van 13 oktober 2009, een brief van natuurgeneeskundige M. Lorwa van 16 oktober 2009, een in opdracht van de gemeente Alkmaar opgestelde rapportage over de belastbaarheid van appellante van 30 november 2009 en een behandelovereenkomst van de GGZ Queeste van 7 april 2010 overgelegd. Appellante heeft de Raad verzocht een medische deskundige te benoemen. De geschiktheid van de geselecteerde functies is door appellante betwist op dezelfde gronden als in beroep.
- De bezwaarverzekeringsarts M. Hoogeboom-Copier heeft bij rapporten van 1 februari 2010 en 20 april 2010 gereageerd op het hoger beroepschrift en de daarbij overgelegde stukken. De bezwaararbeidsdeskundige R.C. Hooff en de bezwaararbeidsdeskundige F.M.A. Havermans hebben bij rapporten van 3 februari 2010 respectievelijk 21 april 2010 gereageerd op het hoger beroepschrift en de daarbij overgelegde stukken. Havermans heeft daarbij aangegeven dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functie verkoper groothandel (SBC-code 317012) bij nader inzien ongeschikt is voor appellante. Hij heeft ter vervanging van die functie de – oorspronkelijk al aan appellante voorgehouden maar vanwege de gestelde diploma-eis in bezwaar verworpen – functie parkeercontroleur (SBC-code 342022) aan de schatting ten grondslag gelegd. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellante is daardoor niet gewijzigd.
- De Raad overweegt als volgt. 7.
- In hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat appellante op de datum in geding medisch meer beperkt was dan is aangenomen. Voor de daartoe strekkende stelling van appellante is geen steun te vinden in de zich in het dossier bevindende medische informatie. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank ter zake volledig en maakt die tot de zijne. 7.
- De Raad kan zich verder geheel vinden in de reacties van de bezwaarverzekeringsarts Hoogeboom-Copier van 1 februari 2010 en 20 april 2010 op de door appellante ter onderbouwing van haar stelling dat zij ook in psychisch opzicht meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen, in hoger beroep overgelegde stukken. De brief van de huisarts van appellante bevat met elkaar strijdige gegevens waar over de psychische klachten van appellante enerzijds wordt gemeld dat ze in de vorm van een angststoornis al enige jaren bestaan en anderzijds dat die diagnose pas vanaf 11 maart 2009 – na de datum in geding – aan de orde is. Deze brief kan dan ook niet leiden tot het door appellante gewenste resultaat. Wat betreft de verklaring van de natuurgeneeskundige is de Raad met de bezwaarverzekeringsarts van oordeel dat de gezondheidstoestand van appellante ten tijde van de datum in geding daarin niet wordt beschreven. Dat betekent dat ook deze verklaring niet afdoet aan de opgestelde FML. Dat geldt ook voor het belastbaarheidsonderzoek dat in opdracht van de gemeente Alkmaar is uitgevoerd. Ook dit onderzoek heeft immers geen betrekking op de datum in geding, terwijl bovendien de medische onderbouwing van de getrokken conclusies ontbreekt. In de behandelovereenkomst van de GGZ Queeste wordt de oorzaak van de psychische klachten van appellante bij gebeurtenissen in haar jeugd gelegd. Verder wordt in dit stuk aangegeven dat de psychische gesteldheid van appellante verslechterd is. De Raad ziet ook hierin geen aanknopingspunt om te veronderstellen dat appellante op de datum in geding in psychisch opzicht meer beperkt was dan in de FML is vastgelegd. 7.
- De Raad ziet gelet op het hiervoor in 7.1 en 7.2 overwogene geen reden om een medische deskundige te benoemen.
- Wat betreft de arbeidskundige kant van de zaak, wijst de Raad op het volgende. De bezwaararbeidsdeskundige Havermans heeft in zijn rapportage van 21 april 2010 de functie verkoper groothandel alsnog laten vervallen. Vervolgens heeft hij de oorspronkelijk aan appellante voorgehouden maar in bezwaar vervallen functie parkeercontroleur opnieuw aan de selectie van voor appellante geschikte functies toegevoegd. Hij heeft daarbij aangegeven dat uit de in hoger beroep door appellante overgelegde stukken is gebleken dat appellante wel voldoet aan de voor die functie gestelde diploma-eis. De Raad kan de bezwaararbeidsdeskundige hierin volgen en is van oordeel dat met deze wijziging de arbeidskundige grondslag deugdelijk is. De Raad sluit zich voor wat betreft de geschiktheid van de andere aan de schatting ten grondslag gelegde functies aan bij de overwegingen van de rechtbank ter zake.
- Uit de wijziging van de arbeidskundige grondslag in hoger beroep volgt dat in beroep – achteraf bezien – geen sprake was van een deugdelijke arbeidskundige grondslag. Dit leidt de Raad tot het oordeel dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op bezwaar van 28 mei 2008 in stand heeft gelaten. De Raad zal de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op bezwaar in stand heeft gelaten, vernietigen. Nu in hoger beroep echter alsnog tot een deugdelijke arbeidskundige grondslag is gekomen, ziet de Raad aanleiding de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde besluit op bezwaar alsnog in stand te laten.
- De Raad acht termen aanwezig om op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten; Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op bezwaar van 28 mei 2008 geheel in stand blijven; Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- te betalen aan de griffier van de Raad; Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 110,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni
- (get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen. (get.) D.E.P.M. Bary. KR