08/5318 AW Q. Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 25 juli 2008, 07/4672 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft (hierna: college) Datum uitspraak: 3 juni 2010 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april
- Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. R.H.A. Wessel, advocaat te ’s-Gravenhage. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.H.M. Wesseling, advocaat te ’s-Gravenhage, en W.G. Meesters-Kraak, werkzaam bij de gemeente Delft. II. OVERWEGINGEN
- Voor een uitgebreid overzicht van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende. 1.
- Appellant was in 2002 als ambtenaar in vaste dienst werkzaam als [naam fucntie] van de gemeentelijke dienst Combiwerk. Deze dienst was belast met de uitvoering van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw). 1.
- Een aan appellant met ingang van 1 januari 2003 verleend ontslag heeft in rechte geen stand gehouden. Bij uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 8 december 2004 is het gehandhaafde ontslagbesluit vernietigd, welke uitspraak door de Raad is bevestigd bij uitspraak van 11 januari 2007, 05/303 en 05/304 AW en LJN AZ
- 1.
- Hangende het door hem ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van 8 december 2004 is het college gestart met pogingen appellant te herplaatsen. In dat verband heeft het college bij besluit van 20 januari 2005 aan appellant medegedeeld dat toepassing zal worden gegeven aan de herplaatsingsinstrumenten van hoofdstuk 15a van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling, Uitvoeringsregeling, Nadere Uitwerkingsregeling Rechtspositie en Beleidsregels Rechtspositie (CAR/UWO/NUR/BR). 1.
- Nadat het college had geconstateerd dat de herplaatsingsinspanningen er niet toe hadden geleid dat aan appellant passende werkzaamheden konden worden opgedragen, heeft het college bij besluit van 19 december 2006 (hierna: primair besluit) aan appellant met ingang van 1 april 2007 eervol ontslag verleend wegens opheffing van zijn betrekking. Na bezwaar is dat ontslagbesluit gehandhaafd bij besluit van 14 mei 2007 (hierna: bestreden besluit).
- De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat het college bevoegd was tot de ontslagverlening omdat het college zich voldoende had ingespannen, zij het zonder resultaat, om appellant te herplaatsen binnen de gemeentelijke organisatie. Zij heeft overwogen dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten appellant niet de functies van bedrijfsmanager Verpakken en van directeur Bedrijven bij Combiwerk toe te zenden, nu dit functies waren in dienst van een besloten vennootschap en dus geen functies bij de openbare dienst.
- Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat het college niet heeft voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit hoofdstuk 15a van de CAR/UWO/NUR/BR. Naast grieven betreffende de afwijzingen van sollicitaties van hem naar een aantal functies buiten Combiwerk heeft appellant gesteld dat het college hem de onder 2 genoemde functies bij Combiwerk had behoren aan te bieden. Bij deze functies gaat het zijns inziens wel om functies in openbare dienst.
- Het college is van opvatting dat het in ruime mate heeft voldaan aan zijn verplichting zich in te spannen voor herplaatsing. Het college verwerpt de stelling van appellant dat hij voor hogere leidinggevende functies in aanmerking gebracht had moeten worden. Naar het oordeel van het college moet bij die functies sprake zijn van een ‘match’ tussen de ontvangende dienst en de kandidaat leidinggevende. Die ‘match’ is er niet geweest. Het college wijst erop dat appellant tegen de afwijzing van enkele sollicitaties geen rechtsmiddelen heeft aangewend. Het college blijft bij zijn standpunt dat het de genoemde functie(s) bij Combiwerk niet had behoeven aan te bieden. Dit soort functies worden sinds een reorganisatie van 2002 niet meer vervuld door ambtenaren in dienst van de gemeente, aldus het college, maar door bij Combiwerk gedetacheerde werknemers die een arbeidsovereenkomst hebben bij de besloten vennootschap Combiservices Delft B.V.
- De Raad overweegt naar aanleiding hiervan het volgende. 5.
- Hij volgt de rechtbank in haar oordeel dat het college veel inspanningen heeft verricht. Hij kan zich verenigen met het standpunt van het college dat appellant niet zonder meer in aanmerking gebracht behoefde te worden voor een hoge leidinggevende positie (binnen of buiten Combiwerk). Appellant heeft het standpunt van het college dat er in een dergelijk geval sprake moet zijn van een ‘match’, niet wezenlijk betwist. De Raad volgt het college eveneens in zijn opvatting dat een herplaatsing in gevallen waarin concrete afwijzingsbeslissingen zijn gevolgd waartegen appellant geen rechtsmiddelen heeft aangewend, niet meer aan de orde is: die afwijzingen zijn immers in rechte onaantastbaar geworden. 5.
- De Raad volgt de rechtbank en het college niet wat betreft het niet aanbieden van - en het niet plaatsen in - de functie van bedrijfsmanager Verpakken bij Combiwerk. Combiwerk is nog steeds belast met de uitvoering van de Wsw. Appellant is altijd in ambtelijke dienst van Combiwerk gebleven. Bij Combiwerk is, zo is door appellant onbetwist gesteld, naast de Wsw-werknemers nog een aantal ambtenaren van de gemeente Delft werkzaam. De Raad merkt daarbij overigens op dat ook de door Combiservices Delft B.V. bij Combiwerk gedetacheerde werknemers naar het oordeel van de Raad - en anders dan door het college is betoogd - een arbeidsrelatie hebben met het college. Het college had dus de mogelijkheid appellant te plaatsen in een functie bij Combiwerk. Niet valt in te zien waarom het college niet verplicht zou zijn (geweest) appellant te plaatsen in de functie van bedrijfsmanager Verpakken toen die functie vacant kwam. Die functie is aan te merken als een passende functie. De enkele (subsidiaire) stelling dat appellant daarvoor niet de juiste persoon zou zijn (geweest), is onvoldoende om geen toepassing te geven aan het in artikel 15a:1:3:3, eerste lid, van de CAR/UWO/NUR/BR vervatte instrument van de (over)plaatsing.
- Op grond van het bovenstaande komt de Raad tot de conclusie dat het college niet bevoegd was appellant te ontslaan wegens opheffing van zijn betrekking. Nu de rechtbank het (gehandhaafde) ontslagbesluit ten onrechte in stand heeft gelaten, komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Dat geldt eveneens voor het bestreden besluit. Omdat het bevoegdheidsgebrek niet hersteld kan worden bij een nieuwe beslissing op bezwaar, zal de Raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het primaire besluit herroepen.
- De Raad zal, gelet op het door appellant gedane verzoek om vergoeding van de kosten die hij in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, het college met toepassing van de artikelen 8:75 en 7:15 van de Awb in deze kosten veroordelen. Deze worden begroot op € 644,- wegens verleende rechtsbijstand.
- De Raad acht tot slot termen aanwezig om het college met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,- wegens in eerste aanleg verleende rechtsbijstand alsmede € 19,40 aan reiskosten en op € 644,- wegens in hoger beroep verleende rechtsbijstand alsmede € 12,90 aan reiskosten. Met de onder 7 begrote kosten bedragen de te vergoeden kosten in totaal € 1.964,
- III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit; Herroept het primaire besluit; Veroordeelt het college tot vergoeding van de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.964,30; Bepaalt dat het college aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 359,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K.J. Kraan en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juni
- (get.) H.A.A.G. Vermeulen. (get.) C. de Blaeij. HD