← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7211

08/2611 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te Amsterdam (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 maart 2008, 07/274 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College) Datum uitspraak: 8 juni 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.G. Wattilete, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april

  1. Appellant is, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. II. OVERWEGINGEN
  2. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  3. Appellant ontvangt bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 11 augustus 2006 heeft het College appellant meegedeeld dat hij ingevolge zijn verplichtingen tot arbeidsinschakeling bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB zo breed mogelijk moet solliciteren naar alle soorten werk die hij aankan. Daarbij is aangegeven dat beperkingen zijn vastgesteld ten aanzien van tillen, knielen en hurken en lopend werk. 1.
  4. Bij besluit van 5 december 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 11 augustus 2006 ongegrond verklaard.
  5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 5 december 2006 ongegrond verklaard.
  6. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
  7. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  8. In artikel 9, eerste lid, van de WWB zijn - kort gezegd - de verplichtingen tot arbeidsinschakeling opgenomen. Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, kan het college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van een verplichting als bedoeld in het eerste lid indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. 4.
  9. Het primaire besluit van 11 augustus 2006 strekt tot het niet verlenen van een ontheffing op grond van artikel 9, tweede lid, van de WWB. Blijkens de gedingstukken heeft het College aan dit besluit ten grondslag gelegd dat appellant bij onderzoek op 27 september 2005 door de arts van AOB Compaz, waarvan op 5 januari 2006 rapport is uitgebracht arbeidsgeschikt is bevonden voor arbeid met inachtneming van structurele lichamelijke beperkingen ten gevolge van klachten van duizeligheid en knieklachten. 4.
  10. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat het medisch advies van AOB Compaz van 5 januari 2006 voldoende grondslag biedt voor het standpunt van het College dat appellant gelet op de vastgestelde beperkingen, in staat kan worden geacht fulltime arbeid te verrichten en niet in aanmerking komt voor een ontheffing van de arbeidsverplichting. De Raad is niet gebleken dat het advies van AOB Compaz naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat daarop niet zou mogen worden afgegaan. Blijkens het rapport van 5 januari 2006 heeft de arts de diabetes type II en de lekkende hartklep van appellant meegewogen in de medische beoordeling. Vastgesteld werd dat appellant alleen nog bij zijn huisarts onder controle is voor de suikerziekte, waarbij sprake is van bloedsuikers rond de 7-8, en dat voor de lekkende hartklep geen verdere behandeling is ingezet. Anders dan appellant, is de Raad van oordeel dat de brief van de huisarts van 20 november 2006, waarin wordt beschreven dat appellant al jaren last heeft van linkszijdige pijnen in borst/buikgebied en duizeligheids- en hoofdpijnklachten, geen steun biedt voor de stelling dat appellant op grond van die klachten niet in staat is tot werken. De Raad merkt op dat de huisarts in de brief meedeelt dat bij onderzoek sinds 1994 door diverse medische specialisten geen specifieke ziekten zijn vastgesteld in verband met de maag- en bovenbuiksklachten en dat de diabetes van appellant goed is ingesteld met orale medicatie en dieet. 4.
  11. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
  12. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juni
  13. (get.) J.F. Bandringa. (get.) C. de Blaeij. AV

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.