← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7212

09/2672 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 april 2009, 08/4821 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 9 juni 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M.P. de Witte, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en daarbij, desgevraagd, nadere stukken ingezonden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei

  1. Appellante is - met bericht vooraf - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellante is op 14 november 2007 in het kader van een procedure, aangevangen met een besluit van het Uwv waarbij de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 5 juli 2004 is herzien van een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, onderzocht door bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn. Deze arts heeft geconcludeerd dat het toestandsbeeld van appellante in 2007 een verdere achteruitgang heeft laten zien, in verband waarmee hij een professionele herbeoordeling aangewezen heeft geacht. 1.
  3. Op 27 maart 2008 is appellante onderzocht door een verzekeringsarts die een verdere achteruitgang heeft vastgesteld en arbitrair de datum waarop de arbeidsongeschiktheid is toegenomen heeft gesteld op 14 november
  4. Met ingang van dat moment achtte deze arts toegenomen beperkingen aanwezig ten aanzien van lopen en fysieke inspanning, gelet op toegenomen klachten aan het been en adipositas. Ten aanzien van de psychische beperkingen achtte deze arts de toestand van appellante niet duidelijk anders dan was neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst van
  5. Arbeidskundig onderzoek heeft vervolgens uitgewezen dat er voor appellante, rekening houdend met de ten aanzien van haar aangenomen beperkingen, onvoldoende functies waren te selecteren, waarvan de belasting niet de belastbaarheid van appellante te boven zou gaan. Bij besluit van 14 mei 2008 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 12 december 2007 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
  6. Appellante heeft tegen het besluit van 14 mei 2008 bezwaar gemaakt en gesteld dat de toename van haar beperkingen zich reeds ver voor 14 november 2007 heeft voorgedaan. Zij heeft ter onderbouwing van haar standpunt een brief van haar huisarts van 21 januari 2008 overgelegd. Bezwaarverzekeringsarts Van Duijn heeft in juni 2008 gerapporteerd dat hij appellante in haar stelling dat de afname van de belastbaarheid eerder heeft plaatsgevonden niet kan volgen. Er zijn, zo heeft hij overwogen, geen inhoudelijke argumenten om reeds met ingang van een eerdere datum toegenomen arbeidsongeschiktheid aan te nemen. Hij heeft er daarbij op gewezen dat appellante haar stelling niet met medische gegevens heeft onderbouwd en de anamnese laat zien dat er eind 2007 wijziging in de beenbelasting is aangegeven. Bij besluit van 30 juni 2008 heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
  7. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 30 juni 2008 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe - kort weergegeven - overwogen dat zij geen aanleiding heeft gezien om het medisch onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt onzorgvuldig te achten, noch om het medisch oordeel van de verzekeringsartsen onjuist te achten. Zij heeft daarbij onder meer overwogen dat appellante geen medische stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat de toegenomen klachten op een eerder moment dan 14 november 2007 zijn ontstaan en dat in de brief van de huisarts van 21 januari 2008 geen onderbouwing wordt gegeven voor de stelling dat in 2006 extreme vermoeidheidsklachten zouden zijn ontstaan. 4.
  8. Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en hij overweegt daartoe als volgt. 4.
  9. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat van de zijde van het Uwv genoegzaam aannemelijk is gemaakt waarom de datum van 14 november 2007 kan worden aangenomen als datum van toegenomen arbeidsongeschiktheid. De Raad kan zich stellen achter de overwegingen die de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd. Ook de Raad acht door appellante in onvoldoende mate aannemelijk gemaakt dat er van een eerdere datum van toegenomen arbeidsongeschiktheid had moeten worden uitgegaan. Appellante heeft haar stelling terzake niet met medische gegevens zodanig onderbouwd dat de Raad tot een ander oordeel dan de rechtbank heeft kunnen of moeten komen. Het overzicht, neergelegd in de brief van de huisarts, is daarvoor onvoldoende concreet en draagkrachtig. 4.
  10. Gelet op het in 4.2 gegeven oordeel van de Raad treft het hoger beroep geen doel en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
  11. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni
  12. (get.) H. Bolt. (get.) A.L. de Gier. KR

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.