← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7229

09/2769 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 mei 2009, 07/4676 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 9 juni 2010 I. PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april

  1. Appellante is verschenen, bijgestaan door drs. Z. Albada. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door S.N. Westmaas. II. OVERWEGINGEN
  2. Bij besluit van 7 juni 2007 (opnieuw verzonden op 12 juni 2007) heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 11 juni 2007 geen recht heeft meer heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW), omdat zij met ingang van laatstgenoemde datum weer geschikt werd geacht voor haar eigen werk. Bij brief van 24 juni 2007, door het Uwv ontvangen op 3 juli 2007, heeft appellante bezwaar gemaakt. Bij besluit van 20 juli 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend en er geen bijzondere omstandigheden waren om een verschoonbare termijnoverschrijding aan te nemen.
  3. Bij brief van 27 november 2007 gericht aan het Uwv, met ontvangststempel van 7 december 2007, heeft appellante tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het Uwv heeft het beroepschrift op 18 december 2007 aan de rechtbank ter behandeling doorgezonden.
  4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het beroep niet binnen de wettelijke termijn is ingesteld en dat er geen aanleiding is om de termijnoverschrijding bij het indienen van het beroepschrift verschoonbaar te achten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij vanwege haar persoonlijke omstandigheden of haar psychische toestand tijdens de beroepstermijn niet in staat was om haar belangen te behartigen, dan wel iemand in te schakelen om haar belangen te behartigen. Volgens de rechtbank is niet gebleken dat sprake was van een dusdanige psychische geestestoestand dat zij niet tijdig een beroepschrift kon indienen.
  5. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij, na het overlijden van haar vader in 2005, heel wat heeft meegemaakt en dat zij daarna depressief is geworden. Zij stelt voorts dat zij niet wist dat zij toen hulp had kunnen vragen en dat zij daar ook met haar gedachten niet bij was.
  6. De Raad, oordelend over hetgeen appellante in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende. 5.
  7. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift of een beroepschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb, vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Niet betwist is dat het bestreden besluit op 20 juli 2007 is verzonden en dat appellante dat besluit heeft ontvangen. Dat betekent dat de beroepstermijn op 21 juli 2007 is aangevangen. Nu het beroepschrift eerst op 27 november 2007 is ingediend en op 7 december 2007 is ontvangen staat vast dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift is overschreden. 5.
  8. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb - voor zover hier van belang - blijft niet-ontvankelijkverklaring van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. In de door appellante aangevoerde omstandigheden ziet de Raad, evenals de rechtbank geen reden om een verschoonbare termijnoverschrijding aan te nemen. Daartoe overweegt de Raad dat het dossier geen objectieve (medische) gegevens bevat, die het standpunt van appellante ondersteunen dat zij gedurende de beroepstermijn niet in staat was zelf een beroepschrift in te dienen of te laten indienen. Uit de door appellante overgelegde brief van 1 april 2010 van de psycholoog van het Riagg Rijnmond blijkt evenmin dat er sprake was van een ernstig invaliderende psychiatrische stoornis, waardoor appellante niet in staat was haar belangen te (doen) behartigen. Ook de in de brief van appellante van 25 april 2010 en de ter zitting gegeven toelichting op haar persoonlijke situatie geeft de Raad geen aanleiding tot een andersluidend oordeel te komen. 5.
  9. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
  10. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake de vergoeding van proceskosten. III.BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni
  11. (get.) C.P.J. Goorden. (get.) A.L. de Gier. EK

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.