← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7233

09/6264 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], gevestigd te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 14 oktober 2009, 09/80 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 9 juni 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. A.L. Mijnssen, werkzaam bij Juridische Dienstverlening Nederland B.V. te Apeldoorn, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Desgevraagd bij brief van 23 november 2009 heeft [werkneemster], wonende te [woonplaats], (hierna: werkneemster) schriftelijk verklaard als partij aan het geding te willen deelnemen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april

  1. Voor appellante is verschenen J.J. Hofstede, bijgestaan door mr. A.L. Mijnssen. De werkneemster is eveneens verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E. van den Brink. II. OVERWEGINGEN 1.1.Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende. 1.
  2. Appellante heeft de werkneemster, die werkzaam was als horecamedewerkster bij appellante, op 15 mei 2006 ziek gemeld als gevolg van zwangerschapsklachten. Het Uwv heeft vanaf 28 augustus 2006 aan werkneemster een uitkering ingevolge de Wet arbeid en zorg (Wazo) toegekend.
  3. Bij besluit van 28 juli 2008 (bestreden besluit) heeft het Uwv – beslissend op bezwaar – gehandhaafd het besluit van 12 september 2006, waarbij is geweigerd aan werkneemster met ingang van 15 mei 2006 een uitkering ingevolge de Ziektewet toe te kennen op de grond dat het ziekteverzuim van de werkneemster in de periode van 15 mei 2006 tot 28 augustus 2006 niet is aan te merken als verzuim ten gevolge van de zwangerschap.
  4. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij met name betekenis toegekend aan de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts G.P.J. de Kanter en is op basis daarvan tot het oordeel gekomen dat het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat de werkneemster geen lichamelijke en psychische belemmeringen ondervond van haar zwangerschap en bevalling en dat de ZW-uitkering terecht geweigerd is vanaf 15 mei
  5. In hoger beroep heeft appellante aangegeven dat de werkneemster al medisch beperkt was toen zij zwanger werd, die zwangerschap was op dat moment niet gepland en leverde zeer emotioneel beladen vragen op ten aanzien van de voortzetting van de zwangerschap. Hierdoor raakte de werkneemster overbelast waardoor zij volledig uitviel. Deze psychische klachten, welke de aanleiding vormden voor de ziekmelding, zijn onderbelicht gebleven bij het medisch onderzoek. Er is volgens appellante dan ook sprake van een onzorgvuldig medisch onderzoek. 5.
  6. De Raad overweegt als volgt. 5.
  7. De Raad ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Blijkens de rapportage van bezwaarverzekeringsarts De Kanter van 11 juni 2008 stelt deze zich op het standpunt dat de werkneemster haar werk niet kon verrichten wegens nek- en schouderklachten, welke het gevolg waren van een motorongeluk in september
  8. Zij had daarvan erg veel last en ontwikkelde houdingsafwijkingen. De revalidatie bij DBC vanaf april 2006, welke werd betaald door appellante, is ononderbroken voortgezet tot de aanvang van de Wazo-periode en is in januari 2007 succesvol afgerond. De klachten aan de nek en schouder waren heftig, leidden tot een verkrampte houding en verhinderden de werkneemster haar werk te verrichten. Voor het bestaan van psychische klachten als gevolg van de zwangerschap rond de datum van de ziek melding heeft de Raad in de gedingstukken geen aanknopingspunten kunnen vinden. Tot aan de eerste zitting bij de rechtbank op 17 maart 2008 is op geen enkele wijze melding gedaan van psychische klachten als gevolg van de zwangerschap. De door appellant gedane verwijzing naar het gesprek met de werkneemster op 9 maart 2006 is daartoe onvoldoende temeer daar hiervan in de bezwaarprocedure geen melding is gemaakt. De Raad wijst in dit verband ook op de schriftelijke opmerkingen van de bezwaarverzekeringsarts van 25 juli 2008, waarin deze heeft aangegeven dat de werkneemster tijdens het spreekuur op 11 juni 2008 heeft gezegd dat zij “al in de kreukels zat” op het moment dat ze zwanger werd en dat ze geen melding heeft gemaakt van aanmerkelijke psychische problematiek en dat zij daarvoor geen hulp heeft gezocht. In het intakeverslag van het revalidatiecentrum DBC van 10 mei 2006 valt zulks naar het oordeel van de Raad evenmin te lezen nu daarin enkel gesuggereerd wordt dat het herstel van de schouder- en de nekklachten niet wordt bevorderd door de zwangerschap. De bezwaarverzekeringsarts heeft hieromtrent naar het oordeel van de Raad terecht aangegeven dat werkneemster haar werk niet kon verrichten als gevolg van nek- en schouderklachten en niet als gevolg van de zwangerschap. Tot slot overweegt de Raad dat het bestaan van psychische klachten als gevolg van zwangerschap rond de datum ziek melding ook thans in hoger beroep op geen enkele wijze medisch wordt onderbouwd. Van onzorgvuldig onderzoek is naar het oordeel van de Raad dan ook geen sprake.
  9. Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat het Uwv terecht geweigerd heeft de werkneemster vanaf 15 mei 2006 een ZW-uitkering toe te kennen. De aangevallen uitspraak komt mitsdien voor bevestiging in aanmerking.
  10. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni
  11. (get.) C.P.J. Goorden. (get.) A.L. de Gier. EK

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.