← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7316

08/774 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 december 2007, 07/1951 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) . Datum uitspraak: 9 juni 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft B. Gleiss, werkzaam bij ASV Adviesburo Sociale Verzekeringen te Gorinchem, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en bij brief van 9 juni 2009 een rapport van 8 juni 2009 van bezwaarverzekeringsarts C.E.M. van Geest ingezonden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart

  1. Appellant en voormelde gemachtigde waren aanwezig. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door J.C. Geldof. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier volstaat de Raad met het volgende. 1.
  3. Appellant heeft vanaf 1998 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Na hervatting in het bedrijf waarin hij voorheen werkzaam was, heeft het Uwv in verband met het verrichten van aangepast werk, diens WAO-uitkering per 1 mei 2003 opnieuw berekend omdat hij voor 34 tot 45% arbeidsongeschikt wordt geacht. Het daartegen gemaakte bezwaar respectievelijk ingestelde beroep is ongegrond verklaard. Appellant heeft op een formulier van 27 september 2004 opgegeven dat zijn inkomen € 2.832,81 per maand bedroeg. Appellant die inmiddels directeur grootaandeelhouder (en dus mede-eigenaar) van het eerder bedoelde bedrijf was geworden, heeft op 29 november 2004 op het vragenformulier “Ziekenfondstoets” opgegeven dat zijn inkomen per 1 december 2004 € 6.927,89 per maand bedroeg. Bij besluit van 29 september 2006 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant per 1 oktober 2006 geschorst omdat het vermoeden bestond dat hij geen recht meer had op deze uitkering. Na arbeidskundige rapportage van 19 januari 2007, heeft het Uwv bij besluit van 24 januari 2007, met toepassing van artikel 36a van de WAO, de WAO-uitkering van appellant per 1 december 2004 ingetrokken omdat diens mate van arbeidsongeschiktheid per die datum moet worden gesteld op minder dan 15%. Vervolgens heeft het Uwv appellant bij besluit van 12 maart 2007 bericht dat de onverschuldigd betaalde WAO-uitkering, met toepassing van onder andere artikel 57 van de WAO, over de periode van 1 december 2004 tot 1 oktober 2006 van hem wordt teruggevorderd ten bedrage van € 14.681,
  4. Het door appellant tegen deze twee laatstgenoemde besluiten gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 24 april 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv met name overwogen, dat het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat een zo sterke verhoging van zijn inkomen van invloed zou kunnen zijn op zijn recht op uitkering.
  5. Namens appellant is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij is er in de eerste plaats op gewezen dat hij in november 2004 zijn inkomen correct heeft opgegeven. Uit het niet reageren door het Uwv daarop alsmede uit een brief van het Uwv van 20 maart 2006 heeft hij mogen afleiden dat alles in orde was. Bij hem is, nu het Uwv op de hoogte was van zijn salarisverhoging, de verwachting gewekt dat zijn uitkering niet aangepast behoefde te worden. Meer in het algemeen acht appellant het eerst in 2006 c.q. 2007 herzien en terugvorderen van zijn uitkering in strijd met de rechtszekerheid.
  6. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank voorop gesteld, dat het beginsel van de rechtszekerheid op zich in de weg staat aan het herzien of intrekken van een reeds uitbetaalde uitkering, maar dat hierop een uitzondering bestaat in het geval het de betrokkene redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zijn inkomsten uit arbeid van invloed zouden kunnen zijn op het recht op of de hoogte van zijn uitkering. Van laatstbedoelde situatie is hier volgens de rechtbank sprake: appellant had kunnen weten of vermoeden dat een zo aanzienlijke stijging van zijn inkomen gevolgen zou moeten hebben voor zijn uitkering. Dit temeer omdat hij in 2003 ook was geconfronteerd met een aanpassing van zijn uitkering in verband met inkomsten uit arbeid (waaruit hij had kunnen begrijpen dat het ging om de verhouding tussen het zogenoemde maatmanloon en het te verdienen inkomen). De brief van het Uwv waarop appellant zich beroept, heeft slechts betrekking op het (ongewijzigd) voortzetten van zijn uitkering per 27 september 2004 en slaat dus niet op de periode vanaf 1 december
  7. Artikel 36a van de WAO verplicht het Uwv tot herziening in een geval als deze, waaraan het talmen door het Uwv op zich niet afdoet. Nu de WAO-uitkering, gelet op het voorgaande, over de periode van 1 december 2004 tot 1 oktober 2006 onverschuldigd is betaald, is het Uwv krachtens de desbetreffende bepaling uit de WAO tot terugvordering verplicht. Van dringende redenen die het Uwv hadden moeten doen afzien van herziening of terugvordering is de rechtbank niet gebleken.
  8. Namens appellant zijn in hoger beroep voornamelijk de eerder aangevoerde grieven herhaald. 5.
  9. De Raad oordeelt als volgt. 5.
  10. De Raad kan de conclusie waartoe de rechtbank is gekomen onderschrijven. Voor zover appellant beoogt te stellen, dat het bestreden besluit in strijd is met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel merkt de Raad op, dat aan appellant geen expliciete, ondubbelzinnige of ongeclausuleerde toezeggingen door of namens het Uwv zijn gedaan dat zijn WAO-uitkering na 1 december 2004 ongewijzigd zou worden voortgezet. Ook zijn jegens hem terzake geen in rechte te honoreren verwachtingen gewekt. De brief van 20 maart 2006 waarop appellant zich beroept, heeft blijkens de bewoordingen ervan geen betrekking op de hier in geding zijnde periode. Al eerder heeft de Raad overwogen dat het enkele talmen met de besluitvorming op zich niet af doet aan de op het Uwv rustende verplichting om tot herziening over te gaan. Overigens had het appellant evident duidelijk kunnen zijn dat een stijging van zijn inkomen met ruim € 4.000,- per maand wel van invloed zou moeten zijn op zijn recht op en de hoogte van zijn WAO-uitkering. 5.
  11. Met betrekking tot de terugvordering heeft appellant in feite geen andere grieven naar voren gebracht dan die betreffende de herziening van zijn uitkering. Dingende redenen die het Uwv hadden moeten nopen om af te zien van herziening of terugvordering zijn gesteld noch gebleken. 5.
  12. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de herzienings- en terugvorderingsbesluiten in rechte stand kunnen houden. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
  13. Voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten acht de Raad geen termen aanwezig. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juni
  14. (get.) J. Riphagen. (get.) R.L. Rijnen. EK

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.