← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7581

08/7128 WIA Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 november 2008, 08/1871 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 4 juni 2010 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april

  1. Appellant is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L. Turnhout. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. Bij besluit van 17 december 2007 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant vanaf 4 december 2007 recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), te weten een loongerelateerde WGA-uitkering. De mate van zijn arbeidsongeschiktheid bedraagt volgens het Uwv 70%. 1.
  3. Bij besluit van 12 maart 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen het besluit van 17 december 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
  4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het onderzoek van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts voldoende en zorgvuldig was. Appellant heeft geen medische stukken in geding gebracht op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan de juistheid van het medisch oordeel van de verzekeringsartsen. De geduide functies vallen naar het oordeel van de rechtbank binnen de belastbaarheid van appellant.
  5. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij vanwege zijn slechte gezondheid niet kan werken. Appellant acht zichzelf volledig arbeidsongeschikt. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant informatie van zijn huisarts, van de behandelend cardioloog en de maag-darm-lever arts in geding gebracht. 4.
  6. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd met betrekking tot de medische kant van de zaak bevat, in vergelijking met zijn stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. De in hoger beroep overgelegde medische informatie leidt niet tot een andere conclusie. De Raad wijst er in dit verband op dat deze informatie, zoals daaruit valt op te maken, niet ziet op de datum in geding, 4 december
  7. 4.
  8. De Raad verenigt zich eveneens met het oordeel van de rechtbank dat, uitgaande van de juistheid van de voor hem in aanmerking genomen beperkingen, appellant per de datum in geding in staat moet worden geacht de werkzaamheden te verrichten die behoren bij de bij de schatting betrokken functies. 4.
  9. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
  10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juni
  11. (get.) J.W. Schuttel. (get.) M. Mostert. KR

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.