09/4824 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 juli 2009, 08/5345 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 9 juni 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant is hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april
- Appellant is verschenen bijgestaan door mr. A. den Arend - de Winter, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden. II. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant heeft op 30 mei 1994 vanwege diverse klachten zijn werkzaamheden van medewerker distributie snijbloemen gestaakt. Het Uwv heeft appellant ingaande 22 februari 1995 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 1.
- Bij besluit van 16 juni 2008, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 27 november 2008 (hierna: het bestreden besluit), heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant ingaande 17 augustus 2008 ingetrokken omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder bedraagt dan 15%. Dit besluit berust op het standpunt van het Uwv dat de psychische en lichamelijke belastbaarheid van appellant verminderd is, waardoor hij aangewezen is op fysiek lichte, niet stresserende werkzaamheden. Voorts is appellant in zijn belastbaarheid beperkt vanwege een aanzienlijk gehoorverlies rechts. Het Uwv heeft appellant ongeschikt geacht voor de maatmanfunctie. Het verlies aan verdiencapaciteit is op grond van een theoretische schatting berekend op 8,3%.
- De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft over de medische grondslag van het bestreden besluit geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Zij heeft geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies daarvan. Over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat de voor appellant geduide functies in medisch opzicht geschikt zijn voor hem. 3.
- In hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak heeft appellant aangevoerd dat het Uwv de ernst van zijn medische beperkingen heeft miskend. Appellant acht zich vanwege artrose van de cervicale wervelkolom, verkalking in het ligament, spondylose en een versmald S.I.-gewricht zwaarder beperkt ten aanzien van de rugbelasting dan is aangenomen volgens de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Voorts is appellant van mening dat hij ten gevolge van zijn depressieve klachten zwaarder beperkt is te achten dan is vastgesteld door het Uwv. Gezien de serieuze medische problematiek had het Uwv, zo stelt appellant, een urenbeperking moeten aannemen. Appellant acht het voorts niet juist dat de rechtbank geen onafhankelijke deskundige benoemd heeft voor een onderzoek naar zijn beperkingen. Met betrekking tot de arbeidskundige beoordeling heeft appellant herhaald dat de geduide functies niet berekend zijn voor zijn belastbaarheid. Verder heeft appellant aangevoerd dat de functie productiemedewerker industrie niet geduid had mogen worden omdat deze functie op de datum in geding niet actueel was en de functie controleur elektrotechnische apparatuur voor de schatting dient te vervallen vanwege de diploma-eis. 3.
- Het Uwv heeft bij rapport van 5 oktober 2009 van de bezwaararbeidsdeskundige gereageerd op de arbeidskundige grieven van appellant in hoger beroep.
- De Raad overweegt als volgt. 4.
- Evenals de rechtbank, heeft de Raad geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel van het Uwv. De Raad overweegt daartoe dat de bezwaarverzekeringsarts, die appellant ter hoorzitting heeft geobserveerd en over een uitgebreid - onder andere van de huisarts afkomstig - medisch dossier van appellant beschikte, bij rapport van 8 oktober 2008 heeft beargumenteerd waarom met de in de FML vermelde beperkingen in ruim voldoende mate rekening is gehouden met de verminderde belastbaarheid van appellant. Blijkens dat rapport kunnen de door appellant geclaimde ernstige psychische klachten en rugklachten niet verklaard worden door de onderzoeksbevindingen van de behandelaars, waaruit géén ernstige afwijkingen naar voren zijn gekomen. De bezwaarverzekeringsarts heeft uit de verkregen informatie afgeleid dat er geen sprake is van orthopedische en reumatologische afwijkingen. Wel is er sprake van artrose van de cervicale wervelkolom. Deze vaststelling noodzaakt niet - zo moet uit het rapport worden afgeleid - tot andere of zwaardere beperkingen. Wat de psyche betreft hebben de verzekeringartsen bij eigen onderzoek geen ernstige problematiek vastgesteld. De bezwaarverzekeringsarts heeft in haar rapport opgemerkt dat appellant al jaren niet meer behandeld wordt deze klachten, maar enkel nog medicatie voorgeschreven krijgt door de huisarts. De Raad ziet geen aanleiding het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden. Bij rapport van 17 april 2008 van de verzekeringsarts is naar het oordeel van de Raad voorts genoegzaam uiteengezet waarom geen toepassing gegeven moet worden aan de standaard Verminderde arbeidsduur. Appellant heeft in hoger beroep geen gegevens in het geding gebracht die twijfel zouden kunnen doen rijzen aan de juistheid van het medisch oordeel van het Uwv. De Raad ziet dan ook geen aanleiding een onafhankelijke deskundige te benoemen. 4.
- Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid in de FML van 17 april 2008 is de Raad van oordeel dat de voor appellant geduide functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, voor appellant in medisch opzicht geschikt zijn. De onderbouwing van die geschiktheid is gegeven in de bijlagen bij het rapport van de arbeidskundige van 28 mei
- Hierin wordt een als genoegzaam aan te merken toelichting gegeven op de bij de geselecteerde functies aangebrachte signaleringen. De bezwaararbeidsdeskundige heeft naar het oordeel van de Raad bij rapport van 5 oktober 2009 voorts voldoende toegelicht dat de voor appellant geduide functies actueel zijn op de datum in geding en berekend zijn voor de krachten en bekwaamheden van appellant. 4.
- Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
- De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni
- (get.) T. Hoogenboom. (get.) M.A. van Amerongen. CVG