09/1861 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante] , wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 februari 2009, 08/1870 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 15 juni 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M.J. Klinkert, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei
- Appellante is – met kennisgeving – niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.A.H. Smithuysen. II. OVERWEGINGEN
- Bij besluit van 8 november 2007 is aan appellante per 2 maart 2007 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsgeschiktheidverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Het door appellante tegen dat besluit gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 9 april 2008 (hierna: het bestreden besluit) gegrond verklaard; daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 2 maart 2007 vastgesteld op 45 tot 55%. 2.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 2.
- Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat appellante haar standpunt, dat er onvoldoende rekening is gehouden met haar psychische beperkingen, niet met medische stukken heeft onderbouwd. De rechtbank is verder van oordeel dat de belastbaarheid door de verzekeringsarts op zorgvuldige en deugdelijke wijze is vastgesteld. Ook de heroverweging door de bezwaarverzekeringsarts heeft de rechtbank als zorgvuldig aangemerkt en de bevindingen en conclusies van die arts als deugdelijk aangemerkt. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen. Daarnaast is de rechtbank niet gebleken dat de aan de schatting ten grondslag liggende functies in medisch opzicht niet geschikt zijn voor appellante. 3.
- Appellante heeft in hoger beroep het standpunt ingenomen dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met haar beperkingen, in het bijzonder haar psychische beperkingen. Appellante is van mening dat de verzekeringsarts haar psychische problemen bagatelliseert. Verder acht appellante zich niet in staat de door de arbeidsdeskundige aan haar voorgehouden functies te vervullen. 3.
- Het Uwv heeft in het verweerschrift gesteld dat het standpunt van appellante dat zij meer beperkt is dan het Uwv heeft aangenomen, niet met medische gegevens is onderbouwd.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Met betrekking tot de medische grondslag kan de Raad zich vinden in de overwegingen van de rechtbank en het daarop gebaseerde oordeel en maakt die tot de zijne. De stellingen van appellante in hoger beroep vormen een herhaling van hetgeen reeds tegenover de rechtbank is betoogd. Ook in hoger beroep wordt het standpunt van appellante dat zij meer beperkingen ondervindt ten gevolge van haar psychische en lichamelijke klachten, niet met medische gegevens onderbouwd. 4.
- Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen is de Raad van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. Gelet op de verdiensten in die functies is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de WAO door verweerder terecht vastgesteld op 45 tot 55%. 4.
- Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juni
- (get.) H. Bolt. (get.) A.L. de Gier. EF