09/3571 WIA + 09/3962 WIA Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 11 mei 2009, 08/2839 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 15 juni 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. M. Tracey, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, alsmede een nieuw besluit op bezwaar van 12 juni 2009 ingezonden. Op verzoek van de Raad heeft het Uwv nadere stukken overgelegd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei
- Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Tracey. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M. Klootwijk. II. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als docent werktuigbouwkunde voor 36,87 uur per week. Op 19 september 2005 heeft hij zich, vanuit de situatie dat hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontving, ziek gemeld als gevolg van psychische klachten naast de reeds bestaande rug-, nek- en schouderklachten. 1.
- Naar aanleiding van de aanvraag van appellant om een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per einde wachttijd is hij op 26 september 2007 onderzocht door de verzekeringsarts R. van der Vlies, die in zijn rapportage heeft aangegeven dat appellant geschikt wordt geacht voor passend werk. De daarbij in acht te nemen beperkingen heeft de verzekeringsarts weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van dezelfde datum. Op basis daarvan heeft de arbeidsdeskundige A.Th.J. Kerkhof vastgesteld dat appellant ongeschikt is te achten voor zijn maatgevende arbeid als docent werktuigbouwkunde, maar dat hij nog wel geschikt wordt geacht voor de met gebruikmaking van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) geselecteerde functies. Het verlies aan loonwaarde wordt daarbij berekend op 54,55%, hetgeen leidt tot een indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 80%. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 14 november 2007 aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 17 september 2007 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering. 1.
- Bij besluit van 8 mei 2008 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 november 2007, onder verwijzing naar rapportages van de bezwaarverzekeringsarts L. Greveling en van de bezwaararbeidsdeskundige J. Kalthof, ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 8 mei 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van de uitspraak, alsmede bepalingen gegeven met betrekking tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. De rechtbank heeft geoordeeld dat er een zorgvuldig medisch onderzoek heeft plaatsgevonden en dat volgens haar op grond van de beschikbare medische gegevens moet worden aangenomen dat de verzekeringsartsen bij appellant geen te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. Wat de arbeidskundige grondslag betreft, heeft de rechtbank met betrekking tot de geselecteerde functie telefonist, receptionist (sbc-code 315120) overwogen dat zij de toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige niet kan volgen, omdat op grond van de geldende beperkingen voor appellant (onder meer geen conflicthantering in face-to-face contact) niet voldoende is gemotiveerd waarom deze functie toch passend is voor appellant. Deze functie is naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte aan de schatting ten grondslag gelegd, zodat het besluit van 8 mei 2008 berust op een ondeugdelijke motivering en mitsdien dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
- In hoger beroep heeft appellant verwezen naar de medische gronden die hij reeds in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. Volgens appellant heeft de rechtbank de ernst van zijn klachten miskend en acht hij zich wegens zijn lichamelijke en psychische beperkingen volledig arbeidsongeschikt, zodat hij per 17 september 2007 in aanmerking dient te worden gebracht voor een IVA-uitkering. In dat verband heeft appellant erop gewezen dat hem per 1 oktober 2008 wel een IVA-uitkering is toegekend en dat zijn medische situatie onveranderd is gebleven.
- Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het Uwv op 12 juni 2009 een nieuw besluit op bezwaar genomen waarbij het bezwaar tegen het besluit van 14 november 2007, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige J. Kalthof van 4 juni 2009, opnieuw ongegrond is verklaard.
- De Raad overweegt het volgende. 5.
- De Raad stelt vast dat appellant heeft aangegeven dat met het besluit van 12 juni 2009 niet geheel tegemoet is gekomen aan zijn bezwaar. Gelet op de artikelen 6:18 en 6:19, eerste lid in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, zal de Raad het beroep van appellant daarom aanmerken als mede geacht te zijn gericht tegen het besluit van 12 juni
- 5.
- Ten aanzien van het besluit van 12 juni 2009 stelt de Raad vast dat aan dit besluit dezelfde medische onderbouwing ten grondslag ligt als waarop het besluit van 8 mei 2008 was gebaseerd. 5.
- Aan de Raad ligt de vraag voor of de rechtbank op goede gronden de medische beoordeling door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts heeft gevolgd. De Raad ziet in hetgeen van de zijde van appellant in hoger beroep naar voren is gebracht onvoldoende aanleiding om de beoordeling door de rechtbank van de medische grondslag niet te volgen. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapportage uitdrukkelijk de verkregen gegevens van de behandelend psychiater drs. J. van Borssum Waalkes van 23 januari 2008 betrokken en op basis daarvan in navolging van de verzekeringsarts geconcludeerd dat sprake is van beperkingen van de psychische belastbaarheid. Hij heeft daarin aanleiding gezien aan de FML de volgende beperkingen toe te voegen: emotionele problemen van anderen hanteren, eigen gevoelens uiten, flexibiliteit (item 1.9.5 “kan niet flexibel inspelen enz.”) probleemoplossend vermogen (item 1.9.5 “aangewezen op voorspelbare werksituatie”) en samenwerken. Voorts heeft hij aan de FML een beperking toegevoegd ten aanzien van het beroepsmatig besturen van een motorvoertuig in verband met de medicatie die appellant gebruikt. In de door appellant in hoger beroep overgelegde brief van 24 juni 2009 van de psychiater Van Borssum Waalkes, waarin is aangegeven dat de klachten vooral sinds oktober 2008 zijn verergerd, ziet de Raad geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat de beperkingen van appellant op de datum in geding zijn onderschat. Mitsdien is het Uwv terecht uitgegaan van de beperkingen en de belastbaarheid van appellant, zoals neergelegd in de door de bezwaarverzekeringsarts opgestelde FML van 25 februari
- De Raad ziet dan ook geen aanleiding tot het benoemen van een deskundige. Het standpunt van appellant dat hij volledig arbeidsongeschikt is getuige de hem per 1 oktober 2008 toegekende IVA-uitkering wordt door de Raad evenmin onderschreven, nu de bezwaarverzekeringsarts J.T.J.A. Klijn in zijn rapportage van 13 augustus 2009 heeft aangegeven dat hierbij is uitgegaan van de informatie van de psychiater van 24 juni 2009 en dat van een eerdere toename van psychische klachten niet is gebleken. 5.
- Ten aanzien van de arbeidskundige kant overweegt de Raad dat aan de schatting de functies medewerker monteur electronica-assemblage (sbc-code 267050), monteur electronisch schakelmateriaal (sbc-code 111180) en prothese technicus (sbc-code 264050) ten grondslag zijn gelegd. De Raad is van oordeel dat met de toelichtingen van de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapportages van 5 mei 2008 en van 4 juni 2009, voldoende inzichtelijk en toetsbaar is onderbouwd dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt kunnen worden geacht. Op basis hiervan is de mate van arbeidsongeschiktheid terecht vastgesteld naar de klasse van 35 tot 80%, hetgeen heeft geleid tot de toekenning van een WGA-uitkering. 5.
- De Raad komt dan ook tot de conclusie dat het Uwv op goede gronden heeft beslist dat appellant met ingang van 17 september 2007 niet volledig arbeidsongeschikt is en mitsdien geen recht heeft op een IVA-uitkering. Het beroep van appellant dat geacht moet worden mede te zijn gericht tegen het besluit van 12 juni 2009 wordt dan ook ongegrond verklaard.
- De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake de vergoeding van proceskosten. III.BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten; Verklaart het beroep tegen het besluit van 12 juni 2009 ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en T. Hoogenboom en C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juni
- (get.) Ch. van Voorst. (get.) R.L. Venneman. KR