09/1216 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 5 januari 2009, 08/583 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 18 juni 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft L.N. Foppen, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, gevestigd te Leusden, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2010.Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. van den Berg. II. OVERWEGINGEN
- Appellante was werkzaam als huishoudelijk medewerkster thuiszorg in deeltijd toen zij op 29 juli 1994 uitviel vanwege rug- en psychische klachten. Aan appellante is met ingang van 29 juli 1995 een volledige uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Deze uitkering is bij latere beoordelingen ongewijzigd gehandhaafd.
- Appellante is in het kader van een herbeoordeling op grond van de inwerkingtreding op 1 oktober 2004 van het aangepaste Schattingsbesluit (aSB) op 18 september 2006 onderzocht door de arts voor arbeid en gezondheid G. Koster. In een rapport van 18 september 2006 vermeldde Koster dat er volgens appellante ten opzichte van een eerdere beoordeling niets is veranderd. Appellante is snel emotioneel van slag en is vergeetachtig. In stressvolle situaties heeft zij meer rugklachten, maar in het dagelijkse leven zijn deze klachten goed hanteerbaar. Bij het psychisch onderzoek waren aandacht en concentratie volgens Koster goed te richten en te behouden en nam Koster geen gebreken of tekorten in het geheugen waar, zij het dat appellante wel naar data zocht. Volgens Koster was voorts de stemming verdrietig. Koster stelde de diagnose post traumatisch stresssyndroom en chronische lage rugklachten. Hij beschreef de beperkingen maar achtte, mede gelet op het volledig gevulde dagverhaal, een urenbeperking niet aangewezen. Koster legde de bevindingen vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Bij het arbeidskundig onderzoek werd vervolgens na functieduiding vastgesteld dat het verlies aan verdienvermogen 10,84% was. Dienovereenkomstig trok het Uwv bij besluit van 27 oktober 2006 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 21 december 2006 in.
- In de bezwaarprocedure achtte de bezwaarverzekeringsarts G.J. Dreijer, mede gelet op de beperkingen waartegen appellante aanliep, aanvullende beperkingen noodzakelijk en deze werden vastgelegd in een gewijzigde FML van 4 september
- Vervolgens stelde de bezwaararbeidsdeskundige J.P.M. Optekamp-van Kaam in een rapport van 24 september 2007 vast dat twee functies dienden te vervallen en dat onvoldoende functies resteerden om daarop een verdiencapaciteit te baseren. Volgens Optekamp-van Kaam diende dan ook de mate van arbeidsongeschiktheid onveranderd op 80 tot 100% te worden gesteld. Bij het besluit op bezwaar van 29 november 2007 besliste het Uwv in lijn met de conclusie van Optekamp-van Kaam en handhaafde hij het besluit van 27 oktober 2006 niet.
- Optekamp-van Kaam concludeerde in een aanvullend rapport van eveneens 24 september 2007 dat op basis van het Schattingsbesluit, zoals dat gold tot 1 oktober 2004 (oSB), in verband met de gewijzigde FML wel voldoende functies konden worden geselecteerd, lichtte de signaleringen in de functies toe en berekende het loonverlies met ingang van een toekomstige datum op 14,92%. Vervolgens stelde het Uwv bij besluit van 29 november 2007 vast dat appellante met ingang van 22 februari 2007 minder dan 15% arbeidsongeschikt was en trok hij in verband met een in acht te nemen uitlooptermijn bij een hernieuwde functieduiding de WAO-uitkering van appellante met ingang van 30 januari 2008 in.
- In de bezwaarprocedure in verband met het in overweging 4 vermelde besluit van 29 november 2007 beschreef de bezwaarverzekeringsarts N. Visser in een rapport van 14 mei 2008 de medische voorgeschiedenis van appellante, verzwaarde deze arts de beperking op conflicthantering en corrigeerde in de FML een beperkende toelichting op het item 5.2 (zitten tijdens het werk). Voorts berekende de bezwaararbeidsdeskundige H.G. Coerts in een rapport van 16 mei 2008 vanwege een hogere loonwaarde per januari 2008 van één van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies het verlies aan verdienvermogen op 8.69%. Ook lichtte Coerts de medische geschiktheid van deze functies nader toe ten aanzien van het aspect 1.9.7 en in verband met de gewijzigde FML. Hierna verklaarde het Uwv bij besluit van 19 mei 2008 het bezwaar van appellante ongegrond. 6.
- De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 19 mei 2008 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. 6.
- De rechtbank stelde in de eerste plaats vast dat het volgens appellante aan het in overweging 4 vermelde besluit van 29 november 2007 klevende bevoegdheidsgebrek bij het bestreden besluit is hersteld. 6.
- De rechtbank zag voorts in het vierde, vijfde en zesde lid van artikel 34 van de WAO geen beletsel voor de bij het bestreden besluit gehandhaafde intrekking van de WAO-uitkering met ingang van 30 januari
- Zij wees op de volgens haar uit de wetsgeschiedenis met betrekking tot artikel 34, zesde lid, van de WAO blijkende bedoeling van de wetgever dat een beoordeling op basis van het oSB voor een verzekerde als appellante in het algemeen niet mag leiden tot een lager arbeidsongeschiktheidspercentage dan eerder bij een beoordeling volgens het aSB was vastgesteld. Daarvan is in het geval van appellante geen sprake en daaraan doet, volgens de rechtbank, ook niet af dat bij het in overweging 4 vermelde besluit op bezwaar van 29 november 2007, appellante alsnog volledig arbeidsongeschikt is beschouwd vanwege het niet meer toegelaten zijn met ingang van 22 februari 2007 van een beoordeling op grond van het aSB voor de leeftijdscategorie waartoe appellante behoort. 6.
- Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit zag de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsartsen in twijfel te trekken. Daarbij wees de rechtbank erop dat appellante geen op de datum in geding betrekking hebbende medische gegevens heeft overgelegd ter onderbouwing van haar standpunt dat haar beperkingen zijn onderschat. 6.
- Ten slotte achtte de rechtbank de medische geschiktheid van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies voldoende gemotiveerd met de uitgebreide toelichting op de signaleringen door Optekamp-van Kaam en de aanvullende toelichting door Coerts.
- In hoger beroep heeft appellante de in eerdere fasen van de procedure voorgebrachte gronden en argumenten in essentie herhaald. Daarbij tekent de Raad aan dat haar gemachtigde ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat de beroepsgrond inzake het in overweging 6.2 vermelde bevoegdheidsgebrek niet langer wordt gehandhaafd. 8.
- De Raad kan in grote lijnen instemmen met hetgeen de rechtbank heeft geoordeeld over de houdbaarheid in rechte van het bestreden besluit met het oog op het vierde, vijfde en zesde lid van artikel 34 van de WAO, zij het dat, anders dan de rechtbank kennelijk veronderstelde, in het licht van het bestreden besluit niet kan worden gezegd dat het in overweging 4 vermelde besluit op bezwaar van 29 november 2007 geen volledige heroverweging bevat. Wat betreft bedoelde instemming volstaat de Raad met verwijzing naar zijn uitvoerig gemotiveerde oordeel in zijn uitspraak van 21 april 2010, LJN BM
- Dit oordeel houdt – kort gezegd – in dat de vaststelling dat het Uwv niet verplicht was om de mate van arbeidsongeschiktheid per 22 februari 2007 te herbeoordelen niet betekent dat het Uwv niet (meer) bevoegd zou zijn bedoelde mate per een latere datum te onderzoeken. In dit verband wees de Raad ook op zijn bijvoorbeeld in de uitspraak van 18 maart 2009 (LJN BH72225) gegeven oordeel over de bevoegdheid van het Uwv op grond van artikel 23 van de WAO om een uitkeringsgerechtigde op te roepen zo vaak als hij dat nodig oordeelt. 8.
- Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de Raad geen aanknopingspunten gezien voor een ander oordeel dan de rechtbank. Ook in hoger beroep zijn geen medische gegevens overgelegd op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat appellante meer dan wel zwaardere beperkingen had op de datum in geding – in het bijzonder ten aanzien van de aspecten concentratie en zitten – dan in de uiteindelijk volgens de door Visser aangepaste FML voor haar zijn neergelegd. 8.
- Ook wat betreft de medische geschiktheid van de functies waarop de onderhavige schatting is gebaseerd, ziet de Raad geen aanknopingspunten voor een ander oordeel dan het ook in dit opzicht uitvoerig gemotiveerde oordeel van de rechtbank. 8.
- De overwegingen 8.1 tot en met 8.3 leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni
- (get.) J.W. Schuttel. (get.) D.E.P.M. Bary. EK