09/5361 WAO 09/5362 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 augustus 2009, 08/627 en 08/1461 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 9 juni 2010 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april
- Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.J.M.A. Clerx. II. OVERWEGINGEN 1.
- Bij besluit van 14 mei 2004, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 oktober 2004, heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van 27 januari 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, omdat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt is. Tegen het besluit van 18 oktober 2004 heeft appellant beroep ingesteld. 1.
- Bij besluit van 19 mei 2004 heeft het Uwv van appellant een bedrag van € 3.653,27 teruggevorderd vanwege over de periode van 27 januari 2004 tot en met 31 mei 2004 onverschuldigd betaalde WAO-uitkering. Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddel aangewend. 1.
- Bij uitspraak van 10 november 2005, 04/6045, heeft de rechtbank Amsterdam het beroep van appellant tegen het besluit van 18 oktober 2004 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen aanleiding is de medische grondslag van het besluit van 18 oktober 2004 voor onjuist te houden. De rechtbank heeft overwogen dat onvoldoende duidelijk is of appellant per 27 januari 2004 geschikt is te achten voor het eigen werk. De rechtbank is verder van oordeel dat de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid aan de hand van de geduide functies nadere toelichting behoeft. De rechtbank heeft daarom het besluit van 18 oktober 2004 vernietigd wegens strijd met het motiveringsbeginsel. Appellant is van deze uitspraak niet in hoger beroep gekomen. Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld, doch het hoger beroep ingetrokken. 1.
- Ter uitvoering van de uitspraak van 10 november 2005 heeft het Uwv bij besluit van 22 januari 2008 (hierna: bestreden besluit 1) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 mei 2004 wederom ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. 1.
- Bij besluit van 29 januari 2008 heeft het Uwv aan appellant ter kennis gebracht dat vanwege niet nakoming van de betalingsregeling hij vóór 10 februari 2008 de gehele (resterende) vordering van € 2.434,24 in één keer dient terug te betalen. Het tegen dit besluit door appellant gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 4 april 2008 (hierna: bestreden besluit 2) ongegrond verklaard. Daarbij is gesteld dat kwijtschelding niet mogelijk is. Bij brief van 12 mei 2008 heeft appellant tegen dit besluit beroep ingesteld.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 ongegrond en het beroep van appellant tegen bestreden besluit 2 niet-ontvankelijk verklaard. Tevens heeft de rechtbank beslissingen gegeven over vergoeding van schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn en griffierecht. 2.
- Met betrekking tot het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 heeft de rechtbank allereerst geoordeeld dat in de in r.o. 1.3 vermelde uitspraak van 10 november 2005 een aantal beroepsgronden van appellant uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, zodat op deze punten het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan. 2.
- De rechtbank heeft vastgesteld dat het Uwv met bestreden besluit 1 het standpunt dat appellant geschikt is voor het eigen werk, heeft verlaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat met de rapportage van 18 juli 2007 van een bezwaararbeidsdeskundige voldoende is toegelicht dat appellant in staat moet worden geacht de hem geduide functies te vervullen, zodat het Uwv terecht geweigerd heeft appellant met ingang van 27 januari 2004 een WAO-uitkering toe te kennen. 2.
- Met betrekking tot bestreden besluit 2 heeft de rechtbank vastgesteld dat het Uwv dit besluit voor zover het betrekking heeft op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 januari 2008 niet langer handhaaft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant geen belang meer bij een beoordeling van dit onderdeel van bestreden besluit 2, zodat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is. 2.
- Met betrekking tot bestreden besluit 2 heeft de rechtbank verder geoordeeld dat de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding een primair, op zelfstandig rechtsgevolg gericht besluit is. Ook in zoverre is het beroep van appellant tegen bestreden besluit 2 niet- ontvankelijk. De rechtbank heeft de brief van appellant van 12 mei 2008 ter behandeling als bezwaarschrift doorgezonden aan het Uwv. 2.
- De rechtbank heeft ten slotte vastgesteld dat appellant geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 19 mei 2004 tot terugvordering van appellant van het bedrag van € 3.653,27 vanwege over de periode van 27 januari 2004 tot en met 31 mei 2004 onverschuldigd betaalde WAO-uitkering, zodat dit besluit rechtens onaantastbaar is geworden. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom niet worden ingegaan op de grond van appellant dat het Uwv ten onrechte is overgegaan tot terugvordering.
- De Raad overweegt als volgt. 3.
- De Raad stelt vast dat gelet op de aangevoerde gronden het hoger beroep van appellant zich niet richt tegen het oordeel van de rechtbank dat het beroep tegen bestreden besluit 2 niet-ontvankelijk is. 3.
- Wat betreft het medische aspect van de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 27 januari 2004 is de Raad met de rechtbank van oordeel dat nu appellant heeft berust in de in r.o. 1.3 vermelde uitspraak van 10 november 2005, waarbij zijn beroepsgronden met betrekking tot de medische grondslag van het besluit van 18 oktober 2004 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, de juistheid van de voor appellant vastgestelde beperkingen per 27 januari 2004 in rechte vast is komen te staan. Hier doet zich niet de uitzondering voor dat er sedert de uitspraak van 10 november 2005 nieuwe medische gegevens naar voren zijn gekomen die een nader licht werpen op de gezondheidstoestand van appellant, zoals in die uitspraak is beoordeeld. De Raad kan derhalve niet ingaan op de door appellant in hoger beroep aangevoerde medische gronden met betrekking tot de weigering hem met ingang van 27 januari 2004 een WAO-uitkering toe te kennen. 3.
- Met betrekking tot het arbeidskundige aspect van de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 27 januari 2004 stelt de Raad, met de rechtbank, vast dat het Uwv zijn standpunt dat appellant geschikt is voor het eigen werk heeft verlaten, zodat de Raad de door appellant aangevoerde gronden met betrekking tot dit standpunt van het Uwv onbesproken zal laten. 3.
- Uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen is de Raad, gelet op de in dit geding aanwezige arbeidskundige rapportages, met de rechtbank van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. De Raad onderschrijft derhalve de conclusie van de rechtbank dat het Uwv aan appellant terecht met ingang van 27 januari 2004 WAO-uitkering heeft geweigerd. 3.
- Voor zover appellant met zijn verzoek om immateriële schadevergoeding het oog heeft op een vergoeding overeenkomstig artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) omdat hij als gevolg van de hier aan de orde zijnde besluiten van het Uwv geestelijk leed heeft ondervonden, overweegt de Raad het volgende. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 6:106 van het BW moet worden afgeleid dat de wetgever hier het oog heeft gehad op ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer of op andere persoonlijkheidsrechten van de betrokkene. Naar het oordeel van de Raad is voor een dergelijke inbreuk in het onderhavige geding onvoldoende aanknopingspunt te vinden, zodat het verzoek van appellant om immateriële schadevergoeding dient te worden afgewezen. 3.
- Voor zover het hoger beroep zich richt tegen de terugvordering onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank ter zake en de overwegingen die de rechtbank aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd. 3.
- Het herhaalde verzoek van appellant om kwijtschelding valt buiten de omvang van dit geding. Ter voorlichting van appellant wijst de Raad erop dat het Uwv ter uitvoering van de aangevallen uitspraak de brief van appellant van 12 mei 2008 als bezwaarschrift in behandeling heeft genomen en bij besluit van 16 december 2009 het bezwaar van appellant tegen de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding ongegrond heeft verklaard. Daarbij is meegedeeld dat gelet op de in dat besluit genoemde omstandigheden appellant contact dient op te nemen met de afdeling invordering van het Uwv teneinde een nieuw verzoek tot een terugbetalingsregeling te doen in combinatie met een nieuw verzoek om kwijtschelding. 3.
- Uit hetgeen is overwogen onder 3.1 tot en met 3.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.
- Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni
- (get.) T. Hoogenboom. (get.) M.A. van Amerongen. TM