← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BM9305

09/3280 WW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek van: [Verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker), om herziening van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Raad van 24 april 2009, 08/5634 WW, in het geding tussen: verzoeker en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 17 juni

  1. I. PROCESVERLOOP Verzoeker heeft bij brief van 4 mei 2009 verzocht om herziening van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Raad van 24 april 2009, 08/5634 WW. Bij brief van 21 mei 2009 heeft verzoeker zijn verzoek om herziening verder toegelicht. Het Uwv heeft een reactie op het herzieningsverzoek ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei
  2. Verzoeker is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.O. Diepenbroek. II. OVERWEGINGEN
  3. Bij besluiten van 12 juli 2007 heeft het Uwv de uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) van verzoeker per 6 februari 2006 herzien en van hem een bedrag aan betaalde WW-uitkering tot een bedrag van € 9.120,23 teruggevorderd. Verzoeker heeft daartegen bij brief van 17 juli 2007, door het Uwv ontvangen op 7 september 2007, bezwaar gemaakt. Bij besluit van 1 oktober 2007 heeft het Uwv het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard.
  4. De rechtbank heeft bij uitspraak van 3 september 2008 het door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld en tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
  5. De voorzieningenrechter van de Raad heeft bij uitspraak van 24 april 2009 de aangevallen uitspraak bevestigd en het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen afgewezen. Daartoe is overwogen dat het bezwaarschrift te laat is ingediend. Verzoeker heeft erkend dat de te late ter postbezorging veroorzaakt is door een onoplettendheid zijnerzijds en dat er geen goede reden voor de termijnoverschrijding is aan te voeren, zodat het Uwv het bezwaar van verzoeker terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De voorzieningenrechter van de Raad heeft voorts overwogen dat er geen aanleiding was om te reageren op de redenen waarom volgens verzoeker de besluiten van 12 juni 2007 inhoudelijk onjuist waren.
  6. Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een onherroepelijk geworden uitspraak van de Raad op verzoek van een partij worden herzien op grond van feiten of omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak; b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en c. waren zij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. 5.
  7. Verzoeker heeft in zijn verzoek gesteld dat hij te laat was met zijn officiële bezwaarschrift maar wel vanaf dag 1 bezwaar heeft gemaakt op alle mogelijke manieren. Hij heeft op basis van een telefoongesprek dat een medewerker van het Uwv op 4 mei 2009 met hem heeft gevoerd een aantal feiten genoemd die volgens hem eerder nooit genoemd zijn. 5.
  8. De Raad stelt vast dat in het dossier geen stukken aanwezig zijn waaruit blijkt dat appellant voorafgaand aan 7 september 2007, de datum waarop zijn bezwaarschrift door het Uwv is ontvangen, bezwaar heeft gemaakt. Voor zover verzoeker stelt dat hij al eerder bezwaar heeft gemaakt, had hij dit in de procedure, die heeft geleid tot de uitspraak van 24 april 2009, naar voren moeten brengen en met schriftelijke stukken moeten onderbouwen. 5.
  9. De op basis van het telefoongesprek van 4 mei 2009 door verzoeker naar voren gebrachte feiten hebben geen betrekking op de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar maar zien op de herziening en de terugvordering. Die door verzoeker gestelde feiten zouden, wat daarvan ook zij, de (voorzieningenrechter van de) Raad niet tot een andere uitspraak hebben kunnen leiden, aangezien zij, waren zij eerder bekend geweest, in verband met de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar van appellant niet tot een inhoudelijke beoordeling door de bestuursrechter hebben kunnen leiden. 5.
  10. Nu verzoeker niet enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb naar voren heeft gebracht, dient het verzoek om herziening te worden afgewezen. De Raad merkt daarbij nog dat het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid in de zin van dat artikel, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen.
  11. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Wijst het verzoek om herziening van de uitspraak van 24 april 2009, 08/5634 WW, af. Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juni
  12. (get.) G.A.J. van den Hurk. (get.) B. Bekkers. HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.